ECLI:NL:CRVB:2009:BH6639

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4634 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73a AwbArt. 8:75a AwbArt. 21 BeroepswetArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV met vergoeding wettelijke rente en proceskosten

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad inzake een WAO-zaak. Tijdens de procedure nam het UWV op 4 december 2008 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee het geheel tegemoet kwam aan de bezwaren van appellant. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten en wettelijke rente.

De Raad stelde vast dat het UWV niet betwistte dat het aan appellant was tegemoetgekomen. Daarom veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, begroot op €322,-, en tot vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling. De reeds betaalde proceskosten in bezwaar en het griffierecht werden eveneens geacht vergoed te moeten worden op grond van de eerdere uitspraak.

Het verzoek om vergoeding van kosten in bezwaar werd afgewezen omdat dit verzoek niet tijdig was ingediend, namelijk pas in hoger beroep. De Raad verwees ook naar eerdere jurisprudentie voor de wijze van berekening van de wettelijke rente. Het verzoek om griffierechtvergoeding moest appellant rechtstreeks bij het UWV indienen.

De uitspraak werd gedaan door rechter H. Bolt, waarbij de Raad het UWV veroordeelde tot betaling van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten van €322,-, terwijl het verzoek tot vergoeding van kosten in bezwaar wordt afgewezen.

Uitspraak

08/4634 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 juni 2008, 07/192 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 4 december 2008 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 5 januari 2009 heeft mr. Nijk namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en de wettelijke rente.
Het Uwv heeft bij brief van 16 januari 2009 aangegeven zich niet te verzetten tegen een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Bij brief van 29 januari 2009 heeft het Uwv desgevraagd laten weten zich niet te verzetten tegen een veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente die is verschuldigd als gevolg van de gewijzigde beslissing van 4 december 2008.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
In artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 december 2008 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen.
Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,- in hoger beroep. De proceskosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand alsmede het betaalde griffierecht in de procedure in beroep dienen reeds op grond van de aangevallen uitspraak te worden vergoed. Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van de kosten in bezwaar is het ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb vereist dat dit verzoek dient te zijn gedaan voordat het bestuursorgaan op bezwaar heeft beslist. Nu het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar eerst in hoger beroep is gedaan ziet de Raad aanleiding dit gedeelte van het verzoek af te wijzen.
Voorts wijst de Raad het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995, 314.
De Raad merkt verder op dat uit artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellant zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) T.J. van der Torn.
CVG