ECLI:NL:CRVB:2009:BH7160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid ondanks medicijngebruik
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV besloot dat appellant vanaf 9 januari 2006 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid en beëindigde het ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn angst- en paniekstoornissen, spanningsklachten en medicijngebruik, en verwees naar medische stukken, waaronder een brief van zijn huisarts.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en toereikend was. De artsen concludeerden dat appellant geen ernstige psychiatrische stoornis had en dat het gebruik van Seroxat (Paroxetine) niet leidde tot ongeschiktheid voor zijn arbeid. De brief van de huisarts en andere medische gegevens betroffen een periode na de datum van het besluit en waren daarom niet relevant.
De Raad bevestigde dat de maatstaf voor arbeid de laatstelijk feitelijk verrichte functie als productiemedewerker was. Gezien het medisch onderzoek en de motivering van het UWV was het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Dordrecht werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de beëindiging van het ziekengeld per 9 januari 2006 wordt ongegrond verklaard.