ECLI:NL:CRVB:2009:BH7643

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4803 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens juiste vaststelling belastbaarheid

Appellante is na een val van haar paard arbeidsongeschikt geraakt met heupklachten en ontving een WAO-uitkering. Het UWV trok deze uitkering in per 19 juni 2006 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, omdat de vastgestelde belastbaarheid gebaseerd was op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van een verzekeringsarts en de medische gegevens geen aanleiding gaven tot twijfel.

In hoger beroep betwistte appellante de medische beoordeling en stelde zij dat zij de voorgestelde functies niet kon uitvoeren. De Raad oordeelde echter dat haar subjectieve klachten niet werden ondersteund door objectiveerbare medische gegevens en dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren meegewogen. De door appellante ingebrachte informatie was reeds verwerkt in de beoordeling.

De Raad concludeerde dat de voorgehouden functies binnen de vastgestelde belastbaarheid vielen, inclusief de noodzaak van voldoende afwisseling, en dat er geen grond was voor een urenbeperking. De intrekking van de WAO-uitkering werd daarom bevestigd. Er waren geen redenen voor nader medisch onderzoek of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens juiste vaststelling van de belastbaarheid.

Uitspraak

07/4803 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2007, 06/5447 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft M.A.T. Huisman hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is na een val van haar paard met heupklachten uitgevallen voor haar werk als medewerkster servicebalie bij een supermarkt.
2. Bij besluit van 27 april 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke tot dan toe werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 juni 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 12 september 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er gelet op de beschikbare medische gegevens geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid per 19 juni 2006, zodat het Uwv de schatting terecht heeft gebaseerd op de door de verzekeringsarts J. van Asselt opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 maart 2006. Met betrekking tot de zijdens appellante ingebrachte medische informatie heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven dat daarin slechts reeds bekende medische gegevens weergegeven worden en dat de bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté voldoende heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van appellante geen medische urenbeperking is aangenomen. Arbeidskundig acht de rechtbank met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt voldoende gemotiveerd dat de geduide functies passen binnen de vastgestelde belastbaarheid.
4. In hoger beroep heeft appellante aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Zij is het niet eens met de medische beoordeling en meent voorts dat zij de geduide functies niet kan uitvoeren.
5. De Raad oordeelt dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen, noch aanleiding geeft tot het instellen van een nader medisch onderzoek. Aan appellantes eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien.
6. De Raad kan de namens appellante naar voren gebrachte stelling, dat de door haar ingebrachte informatie onvoldoende is meegewogen, niet onderschrijven. Hij stelt vast dat de door de orthopedisch chirurg dr. J.W.M. Gardeniers alsook de door de huisarts D. Kroon genoemde aandachtspunten zijn meegewogen bij het voorleggen van de belastbaarheid van appellante in de FML. Dat de lezing van appellante van deze informatie in een andere richting wijst dan door het Uwv is aangegeven, berust naar het oordeel van de Raad op de subjectieve beleving van appellante van haar klachten, die overigens verder niet met objectiveerbare medische gegevens zijn onderbouwd.
7. Aldus uitgaande van de juistheid van de FML blijven de voorgehouden functies binnen de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, inclusief de aangegeven noodzaak van voldoende afwisseling. In dit licht ziet de Raad, in navolging van de rechtbank, ook geen grond voor de geclaimde urenbeperking.
8. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
9. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C. Palmboom.
CVG