Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging van uitspraak over herziening WAO-uitkering en medische beperkingen
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad waarin het beroep tegen het bestreden besluit van het UWV gegrond werd verklaard, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven. De rechtbank oordeelde dat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen van het UWV zorgvuldig en overtuigend was en dat de arbeidskundige onderbouwing van de geduide functies toereikend was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de geduide functies niet met hem waren besproken, dat het UWV verouderde medische gegevens gebruikte en dat zijn beperkingen niet volledig waren meegewogen, met name op het gebied van conflicthantering, werken met toetsenbord en muis en werken in koude omstandigheden. Het UWV verweerde zich met een uitgebreide toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige en medische rapportages.
De Raad overwoog dat de klacht over het ontbreken van overleg over de functies niet meer hoefde te worden besproken, dat het UWV niet van verouderde medische gegevens was uitgegaan en dat de toelichting op de geschiktheid van de functies overtuigend was. Ook de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit werd bevestigd, waarbij een maatmanomvang van 40 uur per week niet leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 25%.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak dat de herziening van de WAO-uitkering terecht is en dat de medische beperkingen en passende functies voldoende zijn onderzocht en onderbouwd.
Uitspraak
07/4932 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 juli 2007, 06/1535 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 21 november 2007 heeft bezwaararbeidsdeskundige M.B. Ooms-van der Klaauw nader gerapporteerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2009. Namens appellant is verschenen mr. Van Alphen, voornoemd. Het UWV was vertegenwoordigd door mr. R.M.H. Rokebrand.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit op bezwaar van 6 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellant, gericht tegen het (primaire) besluit van 4 oktober 2005, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 5 december 2005 was ingetrokken omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, gegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 7 augustus 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van
15 tot 25%.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarnaast heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven aangaande proceskosten en griffierecht.
2.2. De rechtbank heeft overwogen dat, wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft, sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv, dat de uit het onderzoek getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd en dat met de door appellant gestelde klachten bij het vaststellen van de beperkingen voldoende rekening is gehouden.
2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat eerst in beroep de bezwaararbeidsdeskundige alle signaleringen bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft toegelicht en aan alle toelichtingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aandacht heeft besteed, en gemotiveerd waarom de desbetreffende functies konden worden geduid. Omdat de rechtbank met deze uiteindelijk gegeven toelichting kon instemmen, heeft zij de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
3.1. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de geduide functies nimmer met hem zijn besproken, hetgeen in strijd met de goede procesorde is. Het Uwv heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de sedert de hoorzitting van 19 januari 2006 verslechterde medische toestand van appellant. Het Uwv is uitgegaan van verouderde medische gegevens. Appellant is bovendien meer beperkt ten aanzien van conflicthantering; hij kan niet met emoties omgaan en kan niet assertief optreden. In verband met beperkingen die appellant ondervindt bij het werken met een toetsenbord en muis, alsmede bij werken in koude zijn de functies niet geschikt te achten.
3.2. Het Uwv heeft in verweer zijn standpunt gemotiveerd toegelicht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in haar rapport van 21 november 2007 nog een toelichting gegeven op de geduide functies wat betreft het werken met een toetsenbord en muis, deadlines en productiepieken, conflicthantering en het werken in koude.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Met betrekking tot de grief die ziet op het ontnemen van een rechtsgang aan appellant nu de in bezwaar geduide functies niet met hem zijn besproken, overweegt de Raad, onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, dat deze grief geen bespreking meer behoeft.
4.2. Dat het Uwv bij de beoordeling van appellants medische beperkingen uitgegaan zou zijn van verouderde medische gegevens onderschrijft de Raad niet. Bezwaarverzekeringsarts E.H. The-van Leeuwen, die ook aanwezig was op de hoorzitting, heeft in haar rapportage van 24 mei 2006 uitgebreid en aan de hand van alle alsdan bekende medische gegevens, toegelicht waarom het niet aannemelijk is dat er afgeweken moet worden van het primaire medisch oordeel. Dat de medische situatie nadien zou zijn verslechterd is de Raad niet gebleken.
4.3. De Raad acht de toelichting van bezwaararbeidsdeskundige Ooms-van der Klaauw in haar rapportage van 21 november 2007 met betrekking tot de medische passendheid van de geduide functies voldoende overtuigend.
4.4. Met betrekking tot hetgeen naar voren is gebracht inzake de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit, overweegt de Raad dat ook bij een maatmanomvang van 40 uren per week de mate van arbeidsongeschiktheid beneden de 25% blijft.
4.5. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009.