ECLI:NL:CRVB:2009:BH8284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering toeslag AOW wegens partnerinkomen
Appellant ontving vanaf januari 2002 een ouderdomspensioen met toeslag voor zijn jongere partner. In 2005 bleek via een melding van de Belastingdienst dat de partner in 2004 een inkomen had genoten uit een pensioen B.V. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag daarop het AOW-pensioen met terugwerkende kracht en vorderde de te veel betaalde toeslag terug. Appellant voerde aan dat hij door zijn accountant niet adequaat was geïnformeerd en dat hij niet op de hoogte was van de gevolgen voor de toeslag.
De rechtbank oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden en dat de Svb terecht tot herziening en terugvordering was overgegaan. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat het pensioen van de partner als inkomen in verband met arbeid moest worden aangemerkt en dat appellant niet aan zijn mededelingsplicht had voldaan.
De Raad overwoog dat het beleid van de Svb omtrent terugwerkende kracht niet in strijd is met rechtsbeginselen en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een volledige herziening zonder terugwerkende kracht rechtvaardigen. Er waren ook geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag op het AOW-pensioen wegens het inkomen van de partner van appellant.