ECLI:NL:CRVB:2009:BH8286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid
Appellante was voorheen werkzaam als leerling-kapster en viel in 1995 uit wegens vermoeidheidsklachten. Haar WAO-uitkering werd aanvankelijk toegekend op basis van 80% of meer arbeidsongeschiktheid, maar het UWV herzag dit in 2005 naar 35-45% op grond van medische en arbeidskundige onderzoeken. Het UWV oordeelde dat appellante ongeschikt was voor haar eigen werk, maar wel geschikt voor gangbare arbeid gedurende gemiddeld 4 uur per dag, rekening houdend met haar medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De rechtbank had het besluit van het UWV bevestigd, stellende dat de medische en arbeidskundige grondslagen deugdelijk waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, voortkomend uit chronisch vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie, onvoldoende waren meegewogen en dat de FML verborgen beperkingen bevatte die twijfel opriepen over de medische onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante geen nieuwe objectieve medische gegevens had ingebracht die het besluit konden ondermijnen. De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies passend waren geacht binnen de medische beperkingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening van de WAO-uitkering bevestigd.