ECLI:NL:CRVB:2009:BH8723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6068 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
  • J.M. Tason Avila
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging herzieningsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te herzien van 80% naar 65-80% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar medische beperkingen waren onderschat en dat zij de voorgelegde functies niet in de voorgestelde omvang kon vervullen.

De Raad overwoog dat er geen aanleiding was het medisch onderzoek of de vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 januari 2006 in twijfel te trekken. Appellante had in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die haar stelling ondersteunden. Wel werd erkend dat de toelichting op de medische geschiktheid voor de functies pas in hoger beroep was gegeven.

Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit volledig in stand blijven. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.

Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

07/6068 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 september 2007, 07/73 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 16 augustus 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 21 november 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 15 juni 2006 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat haar medische beperkingen zijn onderschat, de kennelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet afdoende zijn gemotiveerd en zij voorts die functies niet in de voorgehouden omvang kan vervullen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad ziet, met de rechtbank, geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten, noch enige grond voor twijfel aan de juistheid van de vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 januari 2006. De Raad onderschrijft de door de rechtbank ter zake van de medische onderbouwing van het besluit van 21 november 2006 gebezigde overwegingen en gegeven oordelen en maakt deze tot de zijne. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat haar door het Uwv vastgestelde functionele mogelijkheden op de datum in geding, waaronder een urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag, onjuist zijn.
4.3. Wat betreft de medische geschiktheid van de voorgehouden functies, gelet op de vastgestelde FML, overweegt de Raad het volgende. De schatting is gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), produktiemedewerker textiel (sbc-code 272043) en papierwarenmaker, dozenmaker, kartonnagewerker (sbc-code 268040).
De Raad is van oordeel dat gelet op de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 21 november 2006, bezien in samenhang met de in hoger beroep door de bezwaararbeidsdeskundige op 10 december 2008 desgevraagd verstrekte toelichting op aspect 1.9.7 (deadlines/productiepieken) in de functie onder sbc-code 268040, in de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd geen belastingen voorkomen die de functionele mogelijkheden van appellante te boven gaan. De Raad voegt hieraan toe dat de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de ten aanzien van appellante vastgestelde medische urenbeperking niet overschrijdt.
5. Nu een toereikende toelichting op de medische geschiktheid voor de functies, zoals blijkt uit overweging 4.3, eerst in hoger beroep is verstrekt, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak alsmede het besluit van 21 november 2006 te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en van eveneens € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve
€ 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op
27 maart 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) J.M. Tason Avila.
JL