ECLI:NL:CRVB:2009:BH8895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening dagloon ondanks latere hogere garantietoeslag
Appellant was sinds 1979 werkzaam bij zijn werkgever en stopte met werken per 1 juni 2007, waarna hij per 1 september 2007 eervol werd ontslagen. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van het loon dat appellant in de referteperiode van 1 juni 2006 tot 1 juni 2007 had genoten, waarbij het dagloon werd vastgesteld op €135,50. Appellant stelde dat hij recht had op een hogere garantietoeslag die niet in de oorspronkelijke loonopgave was meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak werd aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat voor de dagloonberekening uitsluitend het loon dat daadwerkelijk in de referteperiode is genoten relevant is. Nabetalingen die na afloop van deze periode worden gedaan, kunnen niet worden betrokken bij de berekening van het dagloon.
De Raad verwees naar artikel 2, vierde lid van het Besluit Dagloonregels Werknemersverzekeringen, waarin is bepaald dat loon dat wel vorderbaar maar niet inbaar is geworden, pas in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden, wordt geacht te zijn genoten. Omdat de hogere garantietoeslag pas na afloop van de referteperiode vaststond, kon deze niet worden meegenomen in de dagloonberekening. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de dagloonberekening op basis van het daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode bevestigd.