ECLI:NL:CRVB:2009:BH9418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak over bezwaar tegen UWV-besluit WIA-uitkering
Appellant, een zelfstandige sloper, viel op 12 oktober 2004 uit voor zijn werk. In november 2006 vond een medisch en arbeidskundig onderzoek plaats in het kader van de Wet WIA. De arbeidsdeskundige stuurde op 16 november 2006 een brief waarin werd meegedeeld dat appellant geen WIA-uitkering zou krijgen. Vervolgens nam het UWV op 28 november 2006 een besluit waarin dit werd bevestigd en het voorschot werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen de brief van 16 november 2006, maar de rechtbank oordeelde dat deze brief geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank stelde dat het UWV ten onrechte het bezwaar inhoudelijk had behandeld alsof het tegen het primaire besluit was gericht.
In hoger beroep betwist appellant deze uitspraak en stelt dat de brief wel een besluit is of dat het bezwaar op grond van artikel 6:5 Awb Pro toch ontvankelijk moet zijn. De Raad concludeert dat de brief informatief is en geen besluit vormt, maar dat het bezwaar terecht is aangemerkt als gericht tegen het besluit van 28 november 2006. Het bezwaar voldeed aan de eisen van artikel 6:5 Awb Pro, ook al was de datum niet correct vermeld.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor verdere behandeling. Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV voorwaardelijk in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.