ECLI:NL:CRVB:2009:BI0078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- P.J. Jansen
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en vernietiging besluit wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing
Appellant, voormalig lasser, viel uit wegens rugklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na herbeoordeling door het UWV werd de uitkering ingetrokken en later herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat zijn beperkingen niet volledig waren erkend en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit wegens een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag, maar de Raad is van oordeel dat ook het gewijzigde besluit onvoldoende gemotiveerd is. De Raad oordeelt dat twee van de vijf functies die aan de schatting ten grondslag liggen, niet in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellant, met name vanwege overschrijding van de frequentie van torderen en buigen.
De medische beoordeling door de verzekeringsartsen wordt door de Raad gevolgd, waarbij een verklaring van een psychiater na de relevante periode onvoldoende aanleiding geeft tot afwijking. De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat het UWV een nieuw besluit moet nemen, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan eventuele schadevergoeding.
Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, en tot terugbetaling van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 april 2009.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.