ECLI:NL:CRVB:2009:BI0637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijk dienstverband wegens financiële bezuinigingen gemeente
Appellante was vanaf november 2001 tijdelijk bij de gemeente aangesteld, eerst als medewerker verhaal en vordering en later als allround medewerker publiekzaken. Haar tijdelijke dienstverband werd per 1 september 2004 van rechtswege beëindigd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente gaf aan dat de beëindiging het gevolg was van noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen vanwege de financiële situatie van de gemeente.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit tot beëindiging, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op een vaste aanstelling, maar de Raad overwoog dat hoewel zij een jaar op proef was aangesteld en een vaste aanstelling mocht verwachten bij een gunstige beoordeling, bijzondere omstandigheden zoals financiële bezuinigingen een uitzondering kunnen vormen.
De Raad stelde vast dat het functioneren van appellante niet de reden was voor het niet omzetten van haar tijdelijke aanstelling naar een vast dienstverband. De financiële situatie van de gemeente en de noodzaak tot bezuinigingen, waaronder het niet opvullen van vacatures ter waarde van €550.000, vormden de reden. Appellante betwistte het noodzakelijke karakter van de bezuinigingen niet, maar was er niet van op de hoogte.
De Raad oordeelde dat het college in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het tijdelijke dienstverband eindigt van rechtswege vanwege financiële bezuinigingen.