ECLI:NL:CRVB:2009:BI0846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking re-integratietraject
Appellant ontving bijstand en kreeg op 14 juli 2005 een maatregel van 20% verlaging wegens het niet verschijnen bij een gesprek over een alfabetiseringscursus. Later, op 18 april 2006, werd de bijstand met 40% verlaagd omdat appellant niet meewerkte aan een re-integratietraject bij re-integratiebedrijf Alexander Calder. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze maatregel ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat het Dagelijks Bestuur niet bevoegd was de maatregel op te leggen. De Raad constateerde een bevoegdheidsgebrek omdat de bevoegdheden niet rechtsgeldig waren overgedragen met terugwerkende kracht. Hierdoor vernietigde de Raad het besluit van de rechtbank en het besluit van 11 oktober 2006.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door niet te verschijnen bij meerdere intakegesprekken en niet te reageren op brieven. De gedraging werd terecht gekwalificeerd als onvoldoende medewerking aan een re-integratietraject, wat volgens de Afstemmingsverordening leidt tot een verlaging van de bijstand. Omdat eerder al een maatregel was opgelegd, werd het percentage verdubbeld.
De Raad vond geen reden om het percentage of de duur van de verlaging te verminderen en liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het Dagelijks Bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd wegens bevoegdheidsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege verwijtbare gedragingen van appellant.