ECLI:NL:CRVB:2009:BI1207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV tot beëindiging recht op ziekengeld na nader onderzoek
Appellant, die eerder een pees- en zenuwletsel aan de rechteronderarm opliep, meldde zich ziek wegens klachten aan de rechterhand en -arm. Het UWV besloot op 29 augustus 2006 het recht op ziekengeld te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, dat aanvankelijk door de rechtbank werd toegewezen wegens onvoldoende zorgvuldigheid in het medisch oordeel en tegenstrijdigheden over de werkbelasting.
Naar aanleiding van de rechtbankuitspraak werd een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek verricht, waarin werd vastgesteld dat het werk als magazijnschoonmaker licht belastend was en appellant geen zware handelingen verrichtte. De werkgever bevestigde dat appellant geen werkzaamheden verrichtte die zwaar belastend waren, zoals het verwijderen van betonnen riooldoppen.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het werk niet zwaar belastend was en dat het medisch oordeel zorgvuldig was vastgesteld. Er waren geen nieuwe gegevens die het standpunt van appellant ondersteunden. Daarom werd het bestreden besluit van het UWV bevestigd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.