ECLI:NL:CRVB:2009:BI1255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging toepassing artikel 44 WAO en beoordeling redelijke termijn
De zaak betreft een appellant die bezwaar maakte tegen het besluit van 14 maart 2002, waarin de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO werd beëindigd en zijn WAO-uitkering werd vastgesteld op 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het besluit alleen de beëindiging van artikel 44 betrof Pro en niet de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het besluit ook de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid betrof en dat dit niet correct was gebeurd. De Raad oordeelde echter dat het besluit uitsluitend de beëindiging van artikel 44 betrof Pro en dat de grieven over de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid niet relevant waren. Tevens werd het verzoek om toepassing van artikel 6:19 Awb Pro afgewezen en werd een brief van appellant doorgestuurd naar de rechtbank als beroepschrift tegen een ander besluit.
De Raad constateerde dat de behandeling van het bezwaar door het UWV niet onredelijk lang duurde, maar dat de behandeling door de rechtbank en de Raad zelf vermoedelijk de redelijke termijn had overschreden. Daarom werd het onderzoek heropend om een nadere uitspraak te doen over een schadevergoeding wegens deze overschrijding, waarbij de Staat der Nederlanden als partij werd aangemerkt.
Het hoger beroep werd uiteindelijk afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.