ECLI:NL:CRVB:2009:BI1542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering na medisch deskundigenonderzoek
Appellante, die haar werk als mangelster in februari 2002 wegens lichamelijke en psychische klachten staakte, ontving een WAO-uitkering die uiteindelijk werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV verlaagde haar uitkering in 2004 naar 45-55% op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld door een verzekeringsarts, die stelde dat appellante halve dagen kon werken binnen de grenzen van de FML. De behandelend psychiater en een door appellante geraadpleegde zenuwarts waren van mening dat haar psychische toestand haar arbeid belemmerde, terwijl een door het UWV benoemde psychiater dit niet vond.
In hoger beroep stond de medische beoordeling centraal. De Raad benoemde twee psychiaters als deskundigen. De eerste deskundige stelde een aanpassingsstoornis met ernstige depressieve verschijnselen vast, wat leidde tot een advies van volledige arbeidsongeschiktheid. De tweede deskundige, benoemd na kritiek op het eerste rapport, stelde een dysthyme stoornis vast, een chronische maar matig ernstige aandoening met wisselend beloop. Hij verwierp de diagnose van de eerste deskundige en concludeerde dat de aanpassingsstoornis niet leidde tot volledige arbeidsongeschiktheid.
De Raad vond het rapport van de tweede deskundige overtuigend en volgde diens oordeel dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt was. Ook de arbeidsdeskundige had toegelicht dat er geschikte functies voor appellante waren. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de verlaging van de WAO-uitkering bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid.