ECLI:NL:CRVB:2009:BI1551

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-509 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellant, die sinds 11 mei 2004 een WAO-uitkering ontving wegens psychische klachten, kreeg deze uitkering per 18 oktober 2005 ingetrokken door het Uwv. De medische beoordeling door verzekeringsartsen leidde tot vaststelling van arbeidsbeperkingen, waarbij een functionele mogelijkhedenlijst werd opgesteld en aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige selecteerde vier functies die geschikt zouden zijn voor appellant, ondanks zijn beperkingen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische gegevens verouderd waren, de beperkingen onjuist waren beoordeeld en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege zijn beperkte opleiding en taalvaardigheid. De Raad oordeelde echter dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende actuele medische gegevens had verzameld en de aanpassing van beperkingen adequaat had toegelicht.

Verder concludeerde de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van de functies voldoende had onderbouwd, waarbij werd benadrukt dat de werkzaamheden routinematig en zonder emotionele conflicthantering waren. De Raad achtte appellant met zijn achtergrond en ervaring in staat drie van de vier functies uit te oefenen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

Uitspraak

07/509 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 december 2008, 06/3621,
(de aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 6 maart 2009. Appellant verscheen bijgestaan door mr. S.N. Ketting, advocaat te Woerden. Namens het Uwv is verschenen
A.M. Snijders.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 22 maart 2006 door het Uwv bekend gemaakte besluit.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3.1. Appellant heeft zijn werk als timmerman op 13 mei 2003 wegens psychische klachten gestaakt. Aan hem is ingaande 11 mei 2004 een WAO-uitkering toegekend.
3.2. Op 19 november 2004 heeft de verzekeringsarts appellant onderzocht en de voor hem vooral vanwege depressieve klachten en agressie geldende medische arbeidsbeperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op zijn spreekuur van 2 februari 2006 gezien en de FML enigszins bijgesteld. Daarbij heeft hij de door de verzekeringsarts aangenomen beperking voor lawaai geschrapt en toegevoegd een beperking voor het hanteren van conflicten.
3.3. De arbeidsdeskundige heeft functie geselecteerd, waarvan er door de bezwaararbeidsdeskundige vier als geschikt zijn gehandhaafd. Dat betreft productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, graafmachinist minigraver, meubelspuiter en boorder/tapper. Voor zijn eigen werk is appellant ongeschikt. Het loonverlies bedraagt ongeveer 5%.
3.4. Bij besluit van 1 september 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 18 oktober 2005 ingetrokken en hij heeft die intrekking gehandhaafd met zijn besluit van 22 maart 2006.
4. In hoger beroep heeft appellant opnieuw opgeworpen dat tussen onderzoek door de verzekeringsarts en het rapport van de arbeidsdeskundige een jaar is verstreken. Het Uwv heeft bovendien zijn belastbaarheid overschat, met name doordat de bezwaarverzekeringsarts zonder toelichting de beperking voor lawaai heeft laten vervallen. De functies zijn voor appellant niet geschikt, want de markeringen zijn onvoldoende toegelicht en onvoldoende is onderzocht of in de functies op de persoon gerichte conflicthantering voorkomt. Het gehanteerde opleidingsniveau 2 is volgens appellant te hoog, omdat hij beperkt basisonderwijs heeft gevolgd, geen diploma’s heeft behaald en het Nederlands slecht beheerst. Om die reden is hij ook niet in staat om de voor de uitoefening van de geselecteerd functies vereiste opleidingen met goed gevolg af te ronden.
5.1. Op zich heeft appellant terecht gewezen op de langere tijdsduur die is verstreken tussen het onderzoek door de verzekeringsarts op 17 november 2004 en de effectuering van het beëindigingsbesluit, ook al is die tijdsduur (nog) geen jaar. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant echter in bezwaar zelf onderzocht en daarmee zijn aan het bestreden besluit voldoende actuele medische gegevens ten grondslag gelegd.
5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet ontoereikend of onjuist is. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de bezwaarverzekeringsarts het vervallen van de lawaaibeperking toegelicht en deze toelichting is voor de Raad toereikend.
5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 16 maart 2006 voldoende toegelicht dat en waarom de door hem gehandhaafde functies voor appellant geschikt zijn. In de bij dat rapport behorende notities functiebelasting heeft de bezwaararbeidsdeskundige uiteengezet dat betreffende, routinematige werkzaamheden in een regelmatig arbeidspatroon in een afgebakende deeltaak worden uitgevoerd zonder dat hierbij eisen worden gesteld aan de vaardigheid om emotionele problemen van anderen te hanteren.
5.4. Appellant heeft Engelstalig lager onderwijs afgerond in Gambia, verblijft sinds 1985 in Nederland als de vader van een Nederlandstalig gezin, heeft als timmerman gedurende langere tijd op de Nederlandse arbeidsmarkt werkzaamheden verricht en heeft in 2004 Nederlandse les gevolgd. Hiermee zijn in elk geval drie van de vier geduide functies voor hem toegankelijk. Als de functie graafmachinebestuurder, wegens de eisen van VMBO-niveau kaderberoepsgerichte leerweg en het vermogen tot het behalen van machinist grondverzetmachines niet voor appellant toegankelijk zou zijn, heeft dat geen gevolgen voor de schatting.
6. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
7. Voor een kostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
R.V. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) R.V. Benza.
KR