ECLI:NL:CRVB:2009:BI1598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die uitviel wegens hoofdpijn en vermoeidheidsklachten, werd onderzocht in het kader van de Wet WIA. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast voor fysiek zware arbeid en stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst op. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante niet geschikt was voor haar eigen werk, maar wel voor drie andere functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Het UWV weigerde daarop een WIA-uitkering toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank onderschreef dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde voor haar claim van meer beperkingen en dat de geschiktheid voor de alternatieve functies voldoende was aangetoond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder een discussie over een Hb-waarde, maar de Raad kon zich volledig verenigen met de eerdere oordelen. De Raad concludeerde dat het UWV de beperkingen niet onderschat had en bevestigde het besluit tot weigering van de WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.