ECLI:NL:CRVB:2009:BI1601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5845 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv om zijn WAO-uitkering per 9 juli 2006 in te trekken vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en dit besluit wordt door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

Appellant voerde aan dat de herbeoordeling onterecht was, omdat zijn medische toestand ongewijzigd was en hij eerder slechts gedeeltelijk belastbaar was. Hij stelde dat het Uwv zorgvuldig psychiatrisch onderzoek had moeten verrichten voordat de uitkering werd ingetrokken. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts voldoende gemotiveerd had dat de vastgestelde belastbaarheid niet werd overschreden en dat het standpunt van appellant over het vereiste van onafhankelijk psychiatrisch onderzoek niet gevolgd kon worden.

De Raad vond dat de aangevoerde argumenten onvoldoende waren onderbouwd met medische gegevens om het oordeel te wijzigen. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 augustus 2007 blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% wordt bevestigd.

Uitspraak

07/5845 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 augustus 2007, 06/2385
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2009. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf.
II. OVERWEGINGEN
1. De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen derhalve voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
2. Bij besluit van 8 mei 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 9 juli 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
3. In dit geding is aan de orde de vraag of de rechtbank op goede gronden ongegrond heeft verklaard het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 22 september 2006 (hierna: het bestreden besluit), waarbij voornoemd besluit is gehandhaafd.
4. In hoger beroep heeft appellant de beroepsgronden in grote lijnen herhaald. Het valt niet in te zien waarom appellant bij de herbeoordeling op grond van een ongewijzigd medisch toestandsbeeld wel in staat zou zijn om hele dagen te werken, terwijl hij op basis van diezelfde klachten de vijf voorgaande jaren slechts gedeeltelijk belastbaar was. Dit is in elk geval in strijd met de rechtszekerheid, hetgeen de rechtbank heeft miskend. Volgens vaste jurisprudentie is aanpassing door de verzekeringsarts van een aanvankelijk te beperkt ingeschatte belastbaarheid alleen aanvaardbaar als buiten twijfel is dat een zodanige aanpassing of relativering op goede gronden berust. Gelet op de lange voorgeschiedenis had het op de weg van verweerder gelegen om zorgvuldig psychiatrisch onderzoek te doen verrichten alvorens tot intrekking van de uitkering over te gaan, aldus appellant.
5.1. Het hoger beroep slaagt niet.
5.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en schaart zich achter overwegingen van de aangevallen uitspraak.
5.3. De bezwaarverzekeringsarts A. Colijn heeft bij zijn heroverweging in bezwaar de beschikking gehad over informatie van de GGZ en heeft naar het oordeel van de Raad voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de door de verzekeringsarts in de Functionele mogelijkhedenlijst vastgelegde belastbaarheid van appellant zijn medische mogelijkheden niet overtreft. Het door appellant ingenomen standpunt dat het (doen) verrichten van onafhankelijk psychiatrisch onderzoek in zijn situatie vereist is om de voorheen gehanteerde urenbeperking te mogen schrappen volgt de Raad dan ook niet.
5.4. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd maar overigens niet is onderbouwd met nadere (medische) gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.V. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) R.V. Benza.
KR