ECLI:NL:CRVB:2009:BI2207

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1563 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-omzetting tijdelijke aanstelling in vaste aanstelling wegens onvoldoende functioneren

Appellante was vanaf 20 september 2006 tijdelijk aangesteld voor een jaar als [functie] bij de gemeente Oude IJsselstreek. Het college besloot de tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling, een besluit dat na bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij toetste of het college in redelijkheid mocht oordelen dat appellante niet aan de redelijke eisen voldeed.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze toetsingsmaatstaf en oordeelt dat het college redelijkerwijs mocht verwachten dat appellante haar functie vrijwel volledig vervulde en voldoende stressbestendig was. Hoewel het functioneringsgesprek van april 2007 een positieve toon had, werden tekortkomingen in zelfverzekerdheid en assertiviteit geconstateerd, zonder dat verbetering werd aangetoond.

Appellante meldde zich ziek vlak voor een volgend functioneringsgesprek en was onbereikbaar voor haar leidinggevende. Haar afhoudende houding en de inhoud van een gesprek in juli 2007 boden geen aanleiding voor het college om te verwachten dat zij aan de eisen zou voldoen. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak dat het college terecht heeft gehandeld door de tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht heeft besloten de tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling wegens onvoldoende functioneren.

Uitspraak

08/1563 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
Zutphen van 29 januari 2008, 07/2018 en 08/72 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek (hierna: college)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.Th. Waterman, verbonden aan de Stichting Univé Rechtshulp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.A. Jansen en
H.H. Luggenhorst, beiden werkzaam bij de gemeente Oude IJsselstreek.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante was met ingang van 20 september 2006 voor 19 uur per week aangesteld als [naam functie] (hierna: [functie]) in de gemeente Oude IJsselstreek. Het betrof een aanstelling in tijdelijke dienst voor de periode van één jaar bij wijze van proef. Het besluit om die tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling of te verlengen, is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 18 december 2007.
2. Bij de aangevallen uitspraak is, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) heeft als toetsingsmaatstaf gehanteerd de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat appellante niet heeft voldaan aan in redelijkheid te stellen eisen en/of verwachtingen.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 14 juni 2007, LJN BA8466 en TAR 2007, 190) stelt de Raad voorop dat hij de door de rechtbank aangelegde toetsings-maatstaf juist acht. Hij voegt daaraan toe dat, blijkens die rechtspraak, bij het aanleggen van deze terughoudende toetsingsmaatstaf niet is vereist dat wordt aangetoond dat de betrokken ambtenaar schromelijk is tekort geschoten of anderszins heeft blijk gegeven van een ongeschiktheid die het ontslag van een ambtenaar in vaste dienst rechtvaardigt.
3.2. De Raad is van oordeel dat het college in redelijkheid van appellante heeft mogen verwachten dat zij ten tijde in geding haar functie (nagenoeg) volledig vervulde en dat zij, gegeven de plaats van de [functie], voldoende stressbestendig was. De Raad is voorts van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat appellante niet aan die verwachtingen heeft voldaan.
3.3. De toonzetting van het verslag van het functioneringsgesprek van 5 april 2007 is weliswaar positief, maar het verslag maakt ook melding van een tekort aan zelfverzekerdheid en assertiviteit. Van een verbetering daarvan is niet gebleken. De ziekmelding van appellante kort voordat zij een volgend functioneringsgesprek zou hebben, hield, volgens haar, verband met het werk. Ondanks de ziekte schreef appellante een uitvoerige brief over haar werksituatie. De bedrijfsarts adviseerde een gesprek te voeren. Appellante had zich nu juist voor een gesprek afgemeld en zij was telefonisch onbereikbaar voor haar leidinggevende. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellante zich toen afhoudend heeft opgesteld. Aan die houding kon het college bepaald niet het oordeel ontlenen dat appellante niettemin aan de in redelijkheid te stellen eisen voldeed; het kon daaraan evenmin de verwachting ontlenen dat appellante aan die eisen zou gaan voldoen. Het verslag van het gesprek dat appellante op 16 juli 2007 samen met haar echtgenoot heeft gehouden met haar leidinggevende, bood het college ook geen basis voor een dergelijk oordeel of een dergelijke verwachting. Mede gelet op de inhoud van dat gesprek en van de bovenbedoelde brief was er voor het college geen aanleiding appellante nog de kans te geven haar functioneren op het vereiste niveau te brengen.
4. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) K. Moaddine.
HD