ECLI:NL:CRVB:2009:BI2238

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6410 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode.

De aanvraag werd door verweerster afgewezen omdat niet was aangetoond dat appellante persoonlijk was blootgesteld aan oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De Raad overwoog dat de bezoeken van Japanners aan de woning van appellante's grootmoeder en de evacuatie naar de Sumatraweg niet konden worden aangemerkt als persoonlijke, tegen appellante gerichte handelingen of maatregelen die onder de Wet vallen.

De angstige momenten die appellante heeft ervaren worden beschouwd als algemene oorlogsomstandigheden en vallen niet onder de Wet. Ook de evacuatie werd als een voorzorgsmaatregel beoordeeld zonder direct levensbedreigende omstandigheden. Een medische beoordeling werd niet noodzakelijk geacht omdat niet was vastgesteld dat er sprake was van onder de Wet vallende gebeurtenissen.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd was, geen sprake was van vooringenomenheid tijdens de hoorzitting, en dat het beroep ongegrond verklaard moest worden. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk oorlogsgeweld.

Uitspraak

07/6410 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
23 oktober 2007, kenmerk BZ 7801, JZ/F60/2007, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009. Aldaar is van de zijde van appellante, zoals bericht, niemand verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor
- onder meer - een periodieke uitkering. Appellante heeft de aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
1.1. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 26 april 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond - kort gezegd - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van Pro de Wet.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. In artikel 2, eerste lid, van de Wet is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945, dan wel gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
2.2. Als relevante gebeurtenissen heeft appellante naar voren gebracht dat de woning van haar grootmoeder te Batavia waar zij destijds verbleven regelmatig werd bezocht door Japanners die met name informeerden naar aanvraagster en haar zusje, die zich daardoor in de woning moesten schuil houden. Voorts heeft aanvraagster naar voren gebracht dat ten tijde van de Bersiap-periode sprake is geweest van een evacuatie naar de Sumatraweg in Batavia.
2.3. Op grond van de beschikbare gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante tijdens de bezettingsjaren en de daaropvolgende Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als omschreven in artikel 2 van Pro de Wet.
2.4. Met betrekking tot de door appellante genoemde bezoeken van de Japanners is de Raad met verweerster van oordeel dat niet blijkt dat er sprake is geweest van een tegen appellante (persoonlijk) gerichte handeling of maatregel in de zin van de Wet. De omstandigheid dat appellante daarbij angstige momenten heeft ondervonden kan er evenwel niet toe leiden dat deze gebeurtenis onder de werking van de Wet kan worden gebracht, aangezien het ondervinden van angst dient te worden aangemerkt als een algemene oorlogsomstandigheid welke naar vaste rechtspraak van de Raad niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht.
2.5. Ten aanzien van de gestelde evacuatie naar de Sumatraweg heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht doorslaggevend geacht de vraag of er sprake is geweest van direct levensbedreigende omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de evacuatie. Tot een dergelijk oordeel is ook de Raad niet kunnen komen. Uit de stukken blijkt dat het transport van tevoren was geregeld en dat er voldoende bewaking was door Ghurka’s tot de spoorlijn en de brug over het Bandjirkanaal vanwaar het veilig was om alleen verder te gaan. Een dergelijke uit voorzorg genomen maatregel kan niet onder de werking van de Wet worden gebracht. Weliswaar hebben de pemoeda’s een dreigende houding aangenomen maar niet blijkt dat appellante of andere personen daarbij gewond zijn geraakt dan wel zijn beschoten.
2.6. Gelet op het bovenstaande is de Raad, anders dan namens appellante in beroep is aangevoerd, van oordeel dat het bestreden besluit berust op een voldoende deugdelijke motivering. Voorts is de Raad niet gebleken dat er sprake is geweest van een vooringenomenheid tijdens de op 6 september 2007 gehouden hoorzitting. Het van deze hoorzitting gemaakte verslag laat dat naar het oordeel van de Raad niet zien. Hierbij merkt de Raad op dat tijdens een dergelijke hoorzitting geen besluit met betrekking tot het bezwaarschrift wordt genomen aangezien de beslissing op bezwaar is voorbehouden aan verweerster, die daarbij mede gebruik maakt van genoemd verslag.
3. Voor zover namens appellante in beroep naar voren is gebracht dat verweerster ten onrechte een medische beoordeling achterwege heeft gelaten, merkt de Raad nog op dat een dergelijke beoordeling eerst dan aan de orde komt indien vaststaat dat er sprake is van gebeurtenissen welke onder de werking van de Wet vallen. Nu in het onderhavige geval niet is gebleken van onder de Wet vallende gebeurtenissen heeft verweerster derhalve op goede gronden een medisch-inhoudelijke beoordeling achterwege gelaten.
4. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) I. Mos.
HD