ECLI:NL:CRVB:2009:BI2238
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode.
De aanvraag werd door verweerster afgewezen omdat niet was aangetoond dat appellante persoonlijk was blootgesteld aan oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De Raad overwoog dat de bezoeken van Japanners aan de woning van appellante's grootmoeder en de evacuatie naar de Sumatraweg niet konden worden aangemerkt als persoonlijke, tegen appellante gerichte handelingen of maatregelen die onder de Wet vallen.
De angstige momenten die appellante heeft ervaren worden beschouwd als algemene oorlogsomstandigheden en vallen niet onder de Wet. Ook de evacuatie werd als een voorzorgsmaatregel beoordeeld zonder direct levensbedreigende omstandigheden. Een medische beoordeling werd niet noodzakelijk geacht omdat niet was vastgesteld dat er sprake was van onder de Wet vallende gebeurtenissen.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd was, geen sprake was van vooringenomenheid tijdens de hoorzitting, en dat het beroep ongegrond verklaard moest worden. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk oorlogsgeweld.