ECLI:NL:CRVB:2009:BI2239
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering WUV-uitkering wegens niet voldoen aan vervolgings- en nationaliteitsvereisten
Appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in februari 2007 om een WUV-uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader tijdens de oorlog gevangen was genomen en overleden in een kamp.
Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant zelf geen vervolging in de zin van de Wet had ondergaan en niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats zoals gesteld in artikel 3 van Pro de Wet. Appellant werd ook niet met de vervolgde gelijkgesteld op grond van artikel 3, tweede lid.
De Raad overwoog dat vervolging volgens de Wet inhoudt dat de persoon vrijheidsberoving heeft ondergaan door de vijandelijke bezetter vanwege Europese afkomst of gezindheid. Appellant had geen vrijheidsberoving ondergaan en voldeed niet aan de nationaliteits- en woonplaatsvereisten. Daarom was de weigering van de uitkering terecht en kon het besluit in stand blijven.
De Raad wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door H.R. Geerling-Brouwer op 2 april 2009.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WUV-uitkering blijft in stand.