ECLI:NL:CRVB:2009:BI2240

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-95 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging in de zin van de Wet

Appellante, geboren in 1923 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2007 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen omdat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en ook niet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat onder vervolging wordt verstaan handelingen van de vijandelijke bezettende macht die leiden tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen of gevangenissen. Appellante heeft geen vrijheidsberoving ondergaan, wat ook niet wordt betwist.

Verder oordeelt de Raad dat de door appellante genoemde zware leefomstandigheden en het moeten schuilen voor Japanners niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden die overeenkomen met vervolging zoals bedoeld in de Wet. Ook voldoet appellante niet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats. Daarom is het bestreden besluit terecht gehandhaafd en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Ten slotte wijst de Raad een vergoeding van proceskosten af wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WUV-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

08/95 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 oktober 2007, kenmerk BZ 47331, JZ/Q60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1923 in het voormalige Nederlands-Indië, in februari 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om haar op grond van de Wet een periodieke uitkering toe te kennen.
1.1. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 4 juli 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts niet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. In artikel 2 van Pro de Wet is bepaald dat, voor zover hier van belang, onder vervolging wordt verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratie-kampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
2.2. Op grond van de onderhavige stukken stelt de Raad vast dat appellante geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Dit wordt door appellante ook niet betwist.
2.3. Met betrekking tot verweersters weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad als volgt.
2.4. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van Pro de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van even-vermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomsten vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
2.5. Met verweerster is de Raad van oordeel dat de door appellante genoemde zware leefomstandigheden tijdens de Japanse bezetting van het gezin waartoe appellante behoorde en het door appellante moeten schuilen voor Japanners die haar lastig vielen niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden als hiervoor, aangezien deze gebeurtenissen geen overeenkomst vertonen met wat op grond van de Wet dient te worden verstaan met vervolging. Nu tevens vaststaat dat appellante niet voldoet aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht geen aanleiding gezien appellante onder toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.
3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) I. Mos.
HD