ECLI:NL:CRVB:2009:BI2242

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-363 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting

Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in maart 2007 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat hij samen met zijn moeder en zuster in het 10e Bataljon in Batavia had verbleven tijdens de Japanse bezetting.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet, namelijk vrijheidsberoving door de vijandelijke bezettende macht in de periode 1940-1945. Appellant ging hiertegen in beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de zitting was appellant niet aanwezig. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit stand kan houden omdat niet is vastgesteld dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving heeft ondergaan. Het door appellant overgelegde bewijs was onvoldoende, mede omdat het verblijf in het 10e Bataljon na de Japanse capitulatie plaatsvond en daarmee buiten de reikwijdte van de Wet valt.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Tevens merkte de Raad op dat het verblijf mogelijk relevant is voor een andere regeling, de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WUV-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

08/363 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Californië (U.S.A.) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 2 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 29 oktober 2007, kenmerk BZ 47245, JZ/W60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem op grond van de Wet, onder meer, een periodieke uitkering toe te kennen. In dat verband heeft appellant naar voren gebracht - voor zover in geschil - dat hijzelf tezamen met zijn moeder en zuster heeft verbleven in het 10e Bataljon in Batavia.
1.1. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 8 juni 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond - voor zover hier van belang - dat niet is gebleken dat appellant tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. In artikel 2 van Pro de Wet is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder vervolging wordt verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking werd beoogd.
2.2. Op grond van de beschikbare gegevens moet de Raad met verweerster vaststellen dat niet blijkt dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving, als hiervoor bedoeld, heeft ondergaan. Weliswaar heeft appellant in beroep een verklaring overgelegd van mw. H.G. Muller waarin zij verklaart tezamen met appellant in het 10e Bataljon te hebben verbleven, maar niet is aangegeven wanneer het verblijf aldaar heeft plaats-gevonden. Bovendien heeft appellant zelf verklaard dat hij na de Japanse capitulatie in het 10e Bataljon is ondergebracht. Een dergelijk verblijf ten tijde van de Bersiap-periode kan evenwel niet onder de werking van de Wet worden gebracht aangezien de Wet - voor zover hier van belang - enkel ziet op vrijheidsberoving welke tijdens de op 15 augustus 1945 geëindigde periode van Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië heeft plaatsgevonden. De Raad merkt hierbij nog op dat het gestelde verblijf in het
10e Bataljon mogelijk ziet op een gebeurtenis in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 en wordt betrokken bij de beoordeling van de in het kader van die wet door appellant ingediende aanvraag.
3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit in rechte kan standhouden.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegen-woordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2009.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) I. Mos.
HD