ECLI:NL:CRVB:2009:BI2242
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in maart 2007 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat hij samen met zijn moeder en zuster in het 10e Bataljon in Batavia had verbleven tijdens de Japanse bezetting.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet, namelijk vrijheidsberoving door de vijandelijke bezettende macht in de periode 1940-1945. Appellant ging hiertegen in beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de zitting was appellant niet aanwezig. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit stand kan houden omdat niet is vastgesteld dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving heeft ondergaan. Het door appellant overgelegde bewijs was onvoldoende, mede omdat het verblijf in het 10e Bataljon na de Japanse capitulatie plaatsvond en daarmee buiten de reikwijdte van de Wet valt.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Tevens merkte de Raad op dat het verblijf mogelijk relevant is voor een andere regeling, de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WUV-uitkering blijft in stand.