ECLI:NL:CRVB:2009:BI2243
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vrijheidsberoving
Appellant, geboren in oktober 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in oktober 2006 erkenning als vervolgingsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster wees deze aanvraag af omdat appellant niet geïnterneerd was tijdens de Japanse bezetting en dus niet voldeed aan de definitie van vervolging zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat de schrijnende gevolgen van de bezetting voor hem en zijn familie zodanig waren dat de formele criteria van de Wet niet strikt toegepast konden worden. De Raad onderzocht de feiten en concludeerde dat appellant met zijn moeder en zus verbleef in Tandjoengbalei Asahan, dat slechts van 23 maart 1942 tot 12 februari 1943 als interneringskamp werd gebruikt.
De Raad stelde vast dat appellant geen vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan en dat verweerster en de Raad niet bevoegd zijn om buiten de wettelijke grenzen te treden. Daarom is het bestreden besluit rechtsgeldig en wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten volgens artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij geen vrijheidsberoving heeft ondergaan en dus niet als vervolgingsslachtoffer erkend kan worden.