ECLI:NL:CRVB:2009:BI2245
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in oktober 1944 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2006 een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer erkend te worden en in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Deze aanvraag baseerde hij op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode.
De verweerster, de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De Raad constateerde dat appellant met zijn moeder en zus verbleef in een interneringskamp dat slechts een beperkte periode als zodanig werd gebruikt en dat er geen aanwijzingen waren dat dit verblijf het gevolg was van maatregelen van de Japanse bezetter.
Appellant betwistte dit in beroep, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat algemene oorlogsomstandigheden, zoals ontwrichting van het gezinsleven, armoede en dreiging, niet volstaan voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. De Raad benadrukte dat de erkenning gebonden is aan specifieke gebeurtenissen en direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Ten slotte wees de Raad een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier en appellant was niet verschenen bij de zitting.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van direct oorlogsgeweld.