ECLI:NL:CRVB:2009:BI2500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. de Mooij
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening AOW-pensioen wegens mede-uitsluiting niet van toepassing
Appellant, geboren in 1931, was van 1967 tot 1970 werkzaam in Duitsland en daardoor niet verzekerd krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende in 1986 een toeslag toe aan de echtgenote van appellant, waarbij rekening werd gehouden met de niet-verzekerde periode van appellant. In 1996 werd aan appellant zelf een ouderdomspensioen toegekend, eveneens rekening houdend met de niet-verzekerde periode.
De echtgenote van appellant verzocht meerdere malen om herziening van haar AOW-pensioen vanwege de vermeende onjuiste korting in verband met de mede-uitsluiting. De Svb herzag het pensioen met ingang van 1992, maar appellant betwistte deze datum en stelde dat de toeslag eerder had moeten worden herzien.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overweegt dat appellant zelf niet onder de uitsluiting van de verplichte verzekering valt die geldt voor echtgenotes van in Nederland wonende werknemers die in het buitenland werken, zoals bepaald in het arrest Wessels-Bergervoet. Omdat appellant in Duitsland verzekerd was en een Duitse rente ontving, is er geen sprake van mede-uitsluiting die herziening van het pensioen rechtvaardigt.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zonder toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.