ECLI:NL:CRVB:2009:BI2840

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6597 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering op grond van medische en arbeidskundige rapportage

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 20 september 2005, omdat het UWV had vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na een eerdere vernietiging van een besluit wegens verouderde medische gegevens, heeft het UWV een nieuw besluit genomen op basis van recente medische rapportages van behandelend specialisten en een bezwaarverzekeringsarts.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond, omdat het UWV de meest recente medische informatie had gebruikt en de bezwaren van appellant onvoldoende waren om het besluit te wijzigen. Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe argumenten aan die tot een ander oordeel konden leiden.

De Raad oordeelde dat het UWV terecht geen hoorplicht had toegepast en appellant niet had hoeven te laten reageren op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts. De medische en arbeidskundige grondslag was voldoende om de intrekking te rechtvaardigen. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

08/6597 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 oktober 2008, 07/5300 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2009. Appellant is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 20 september 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Appellants bezwaar tegen dit besluit is door het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 17 februari 2006. Appellants beroep tegen dit laatste besluit is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van
14 november 2006 gegrond verklaard, omdat het Uwv dit besluit had gebaseerd op verouderde medische gegevens.
2. Bij besluit van 7 juni 2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt mede ten grondslag een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 11 mei 2007, waarin informatie over appellant van zijn behandelend reumatoloog van 24 april 2007 en van zijn behandelend oogarts van 7 mei 2007 in de overwegingen is betrokken.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft voorts op desbetreffende beroepsgronden van appellant geoordeeld, dat het Uwv er niet ten onrechte van heeft afgezien om appellant voor het bestreden besluit op zijn bezwaar te horen en dat het Uwv voorts niet ten onrechte appellant niet in de gelegenheid heeft gesteld om door toezending van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van
11 mei 2007 daarop te reageren.
4. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
5. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de grieven van appellant met betrekking tot de hoorplicht in bezwaar, na de vernietiging van het besluit van 17 februari 2006 bij de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2006, en met betrekking tot de mogelijkheid om te reageren op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 11 mei 2007, niet kunnen slagen. Het oordeel van de rechtbank is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 17 januari 2007 (LJN AZ7525) waar de rechtbank naar heeft verwezen.
6. Ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv, rekening houdend met de in geding zijnde datum van 20 september 2005, aan het bestreden besluit de meest recente over appellant beschikbare medische informatie ten grondslag heeft gelegd. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv ten aanzien van hem vastgestelde medische beperkingen.
7. Uitgaande van de juiste vaststelling van de medische beperkingen moet appellant in staat worden geacht de hem door het Uwv geduide functies te vervullen. Door het Uwv zijn, mede naar aanleiding van de door appellant naar voren gebrachte bezwaren, mogelijke overschrijdingen van appellants belastbaarheid in de geduide functies in voldoende mate van een nadere toelichting voorzien.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR