ECLI:NL:CRVB:2009:BI3105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens cognitieve beperkingen
Appellante, sinds 1997 ziek gemeld wegens psychische klachten en bekend met de ziekte van Graves/Basedow, ontving vanaf 1998 een WAO-uitkering. In 2003 werd haar uitkering beëindigd na een verzekeringsarts oordeelde dat zij niet langer arbeidsongeschikt was. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij vooral waarde hechtte aan de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep heropende het onderzoek en liet een neuropsychologisch onderzoek uitvoeren. Hieruit bleek dat appellante cognitieve beperkingen had, mogelijk door schildklierproblemen, die haar konden beperken in het uitvoeren van haar vroegere mentaal belastende functie als gemeenteraadslid. De Raad vond dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende reden gaf om deze conclusie te verwerpen.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante ondanks deze beperkingen geschikt was voor haar vroegere werk. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en werd het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van geschiktheid voor het vroegere werk.