ECLI:NL:CRVB:2009:BI3120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAZ-uitkering op basis van maatmaninkomen bij ondernemersverlies
Appellant, vennoot in een postorderbedrijf, viel in mei 2004 uit wegens hartklachten. Het bedrijf leed in de jaren 2001 tot en met 2003 verlies. Het UWV weigerde een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat het maatmaninkomen werd berekend op basis van de gemiddelde fiscale netto winst over de drie jaren voorafgaand aan de ziekmelding.
Appellant stelde dat het maatmaninkomen over een langere periode berekend moest worden vanwege bijzondere omstandigheden zoals het wegvallen van klanten en concurrentie. Tevens beriep hij zich op het vertrouwensbeginsel, omdat het UWV jaarrekeningen over vijf jaren opvroeg en een voorlichtingsbrochure verspreidde die mogelijk verkeerde verwachtingen schepten.
De Raad oordeelde dat de omstandigheden tot het gewone ondernemersrisico behoren en dat de vaste regel van berekening over drie jaar niet mag worden verlaten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, omdat uit de correspondentie bleek dat appellant tijdig werd geïnformeerd over een fout in de berekening en geen gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend aan de brochure of het opvragen van jaarrekeningen.
De Raad bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Een kostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.