ECLI:NL:CRVB:2009:BI3792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- T. Hoogenboom
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als agrarisch medewerker, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens rugklachten met een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten concludeerde het UWV dat de beperkingen van appellant beperkt waren en stelde een verlies aan verdiencapaciteit vast van 9,67%. Vervolgens werd de WAO-uitkering ingetrokken.
Appellant voerde aan dat zijn rugklachten waren toegenomen door een beenbreuk in juli 2005 en dat zijn psychische klachten sinds 2003 onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de toegenomen rugklachten marginaal waren en niet leidden tot zwaardere beperkingen. Tevens was er geen aanwijzing dat psychische klachten een rol hadden gespeeld bij de oorspronkelijke toekenning van de uitkering.
De Raad benadrukte dat volgens artikel 37 van Pro de WAO een herziening niet plaatsvindt indien de toename van arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan die waarop de oorspronkelijke uitkering was gebaseerd. Dit was hier het geval, waardoor het UWV terecht de psychische klachten buiten beschouwing liet.
De Raad concludeerde dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld en de geschiktheid van de functies voldoende was gemotiveerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de vermeende toename van arbeidsongeschiktheid onvoldoende is aangetoond.