Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4027

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4506 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
  • I.R.A. van Raaij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringSchattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen

Appellant ontving sinds 18 september 2000 een WAO-uitkering van 80% of meer arbeidsongeschiktheid. In 2006 vond een heronderzoek plaats, waarna het UWV besloot de uitkering per 3 augustus 2006 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 oktober 2006 juist waren en dat appellant geschikt was voor gangbare arbeid.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij meer beperkingen had, met name psychische klachten en gehoorproblemen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag deugdelijk was en vond geen aanwijzingen voor meer beperkingen dan in de FML vermeld. De Raad achtte de functies waarop de schatting was gebaseerd passend voor appellant, mede gelet op de arbeidskundige rapportage.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen.

Uitspraak

07/4506 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2007, 06/3531
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schilt-Thissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellant is met ingang van 18 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. In 2006 heeft in het kader van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 augustus 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
1.2. Bij besluit van 23 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 2 juni 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen, vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 oktober 2006, geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid, waarvan hem voorbeelden zijn voorgehouden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 10 oktober 2006. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van het bezwaar extra beperkingen heeft aangenomen (in verband met gehoor en allergie) en bij haar onderzoek de ingewonnen informatie van de huisarts met betrekking tot het psychisch functioneren van appellant heeft betrokken. De rechtbank kan uit het in beroep overgelegd schrijven van de behandelend psychiater van 31 mei 2007 niet afleiden dat appellant meer psychische beperkingen heeft dan reeds in de FML is weergegeven. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding gezien voor de benoeming van een deskundige.
2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat gezien de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 oktober 2006 appellant geschikt moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.
3. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn stelling – kort weergegeven – dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgelegd in de FML. Hij heeft daarbij met name gewezen op zijn psychische klachten en zijn gehoorproblemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Ook in de gegevens van de behandelend artsen, die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant per de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten meer beperkt is dan reeds in de FML van 10 oktober 2006 is vastgelegd. Daarbij merkt de Raad op dat de overgelegde samenvatting van het rapport ‘Tinnitus, een permanente stoorzender’ slechts in algemene zin informatie over oorsuizen verschaft.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 oktober 2006, is ook naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van de geselecteerde functies voor appellant. In de betreffende functies komt blijkens de Functiebelasting en selectiegegevens geen bijzondere belasting voor ten aanzien van lawaai noch worden in deze functies bijzondere eisen gesteld aan het horen.
4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak derhalve dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op
13 mei 2009.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) I.R.A. van Raaij.
KR