ECLI:NL:CRVB:2009:BI4079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens wachttijd van 104 weken
Appellant ontvangt sinds 1990 een WAO-uitkering, berekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na een herbeoordeling in 1999 bleef deze mate ongewijzigd. Op 2 maart 2006 vroeg appellant om een herkeuring vanwege verergering van klachten. Het UWV weigerde deze herziening met een verkorte wachttijd toe te passen, omdat de wet een wachttijd van 104 weken voorschrijft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en wees erop dat hij in 2007 wel was herkeurd met een verhoging van zijn uitkering. De Raad constateerde dat deze herkeuring op initiatief van het UWV plaatsvond en dat de wettelijke wachttijdregeling voor de aanvraag van 2 maart 2006 onverkort geldt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht de wachttijd van 104 weken hanteert en dat de latere herbeoordeling zonder wachttijd geen verkorting van de wachttijd voor de eerdere aanvraag impliceert. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering van appellant te herzien vóór het verstrijken van de wettelijke wachttijd van 104 weken.