ECLI:NL:CRVB:2009:BI4256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken rechtmatig verblijf Nederland
Appellant, van Turkse nationaliteit, had een verblijfsvergunning aangevraagd voor medische behandeling, maar deze werd afgewezen. Hij vroeg vervolgens bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), welke door het College werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat appellant nooit rechtmatig in Nederland heeft verbleven op basis van een verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e of l van de Vreemdelingenwet 2000. Het feit dat appellant tijdelijk rechtmatig verbleef op grond van een voorlopige voorziening (artikel 8, onderdeel h) leidt niet tot gelijkstelling met een Nederlander volgens artikel 11, derde lid, WWB.
Daarnaast faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat een eerder geval van een vreemdeling die wel rechtmatig verbleef wezenlijk verschilde van de situatie van appellant. De Raad concludeerde dat het College terecht de bijstand heeft geweigerd en bevestigde de eerdere uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef volgens de Vreemdelingenwet 2000.