ECLI:NL:CRVB:2009:BI4626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vermogensvaststelling bij intrekking en terugvordering van bijstand wegens nalatenschap
Appellante ontving sinds 1991 bijstand en kreeg na het overlijden van haar moeder en zuster een erfenis, waardoor haar vermogen hoger werd dan het vrij te laten bedrag. Het College van burgemeester en wethouders van Zaanstad herzag daarop haar bijstandsuitkering over de periode 16 oktober 2003 tot 31 januari 2006 en vorderde €27.712,23 terug.
Appellante voerde aan dat de kosten voor de verzorging van de nagelaten katten als schuld in mindering moesten worden gebracht op haar vermogen, omdat deze lasten rechtstreeks uit de nalatenschap voortvloeien. De rechtbank oordeelde echter dat deze toekomstige kosten niet als bestaande betalingsverplichting konden worden aangemerkt en dus niet in mindering konden worden gebracht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat alleen schulden die bestaan en waarvan de terugbetalingsverplichting vaststaat, in mindering mogen worden gebracht op het vermogen. De kosten voor de kattenverzorging zijn toekomstige, nog niet vaststaande lasten en kunnen daarom niet worden meegenomen bij de vermogensvaststelling.
Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten aan appellante opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd zonder rekening te houden met de kosten voor kattenverzorging.