ECLI:NL:CRVB:2009:BI4681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering kinderbijslag over eerste drie kwartalen 2001 en 2002
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen over de herziening en terugvordering van kinderbijslag die aan appellant was toegekend voor zijn in Iran wonende zoon. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had bij besluit van 22 december 2005 uitvoering gegeven aan een eerdere uitspraak van de Raad van 9 december 2005, waarbij een nieuwe beslissing op bezwaar werd genomen over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2001 en 2002.
Appellant voerde aan dat ook betalingen in december 1999 als onderhoudsbewijs moesten worden meegewogen, en dat ten onrechte geen hoorzitting was gehouden voorafgaand aan het bestreden besluit. Tevens stelde hij dat de Svb had moeten onderzoeken of er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard omdat de Raad in zijn eerdere uitspraak reeds had vastgesteld dat voor de eerste drie kwartalen van 2000 niet was aangetoond dat appellant in belangrijke mate had bijgedragen. De Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de Svb correct uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 9 december 2005. Ook het ontbreken van een hoorzitting wordt niet als onrechtmatig beoordeeld. Verder is volgens de Raad niet gebleken dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.