ECLI:NL:CRVB:2009:BI4689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de hoogte van het WW-dagloon bij toepassing van het WAO-vervolgdagloon
Betrokkene, voormalig veilingmedewerker, ontving een WAO-uitkering die in 2006 werd herzien naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Naar aanleiding van zijn aanvraag voor een aanvullende WW-uitkering werd het dagloon vastgesteld op basis van het WAO-vervolgdagloon. De rechtbank oordeelde dat dit in strijd was met artikel 45 van Pro de WW, omdat het dagloon niet gebaseerd was op het loon in de referteperiode vóór het arbeidsurenverlies.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de lagere regelgever binnen de wettelijke kaders afwijkende regels mag stellen die aansluiten bij het historisch dagloon, zoals vastgelegd in de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging sociale verzekeringswetten (Walvis). De Raad stelt dat het gebruik van het WAO-vervolgdagloon recht doet aan het vereiste inkomensniveau bij het intreden van het verzekerde risico.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee bevestigt de Raad dat het WW-dagloon correct is vastgesteld volgens de geldende wettelijke bepalingen en beleidsregels.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van het WW-dagloon op basis van het WAO-vervolgdagloon blijft in stand.