AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging beslissing over loongerelateerde WGA-uitkering na bezwaar en beroep
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uwv van 27 januari 2006 waarin werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dus geen uitkering kreeg. Het Uwv verklaarde het bezwaar gegrond en kende appellant een loongerelateerde WGA-uitkering toe van 10 februari 2006 tot 10 februari 2011, vastgesteld op € 1.972,06 bruto per maand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was en dat appellant in staat was om vier uur per dag en twintig uur per week te werken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren onderschat en dat hij meer dan 80% arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit het gecombineerde besluit van 11 en 31 juli 2006 betreft en onderschreef de eerdere medische en arbeidskundige beoordelingen. De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellant voldoende waren meegenomen, onder meer door een urenbeperking, en dat de functies passend waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week.
Uitspraak
07/2811 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 april 2007, 06/3438 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts.
Bij brieven van 17 juli en 9 december 2008 heeft appellant informatie van zijn behandelend neuroloog dr. R.J. Schimsheimer ingezonden. Het Uwv heeft hierop gereageerd.
Bij brieven van 3 september en 11 november 2008 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Appellant is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijn de feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.
2. Bij besluit van 27 januari 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 10 februari 2006 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 januari 2006 gegrond verklaard en aan appellant meegedeeld dat hij van 10 februari 2006 tot 10 februari 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.
4. Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering is vastgesteld op € 1.972,06 bruto per maand.
5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 juli 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank onder meer nog overwogen dat het niet aannemelijk is dat appellant niet in staat is om gedurende vier uur per dag en 20 uur per week werkzaamheden te verrichten, zodat hij niet geacht kan worden volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn als bedoeld in artikel 4 vanPro de Wet WIA.
6. In hoger beroep heeft appellant in wezen aangevoerd, zulks onder verwijzing naar een brief van zijn behandelend psychiater van 10 maart 2006 en naar de in rubriek I genoemde brieven van de neuroloog, dat zijn beperkingen zijn onderschat, dat hij door zijn beperkingen de hem voorgehouden functies niet kan verrichten en dat hem een WGA-uitkering toekomt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80%.
7. De Raad overweegt het volgende.
7.1. Naar het oordeel van de Raad vormt het besluit van 11 juli 2006 samen met het besluit van 31 juli 2006 de beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit), aangezien eerst met het besluit van 31 juli 2006 de besluitvorming in bezwaar was voltooid.
7.2. De Raad stelt zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak over de medische grondslag van het bestreden besluit. De verwijzing door appellant naar de brief van psychiater P.C. van den Berg van 10 maart 2006 ten betoge dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, kan hem niet baten. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer blijkens zijn rapport van 19 juni 2006 mede in de brief van de psychiater aanleiding heeft gezien de beperkingen van appellant in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te scherpen, uitgaande van een sterk beperkte psychische belastbaarheid. Het beroep van appellant op de door hem in hoger beroep overgelegde informatie van de neuroloog kan niet tot een ander oordeel leiden. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer in zijn rapport van 5 januari 2009 daarover heeft gesteld, namelijk dat, zo de vermoeidheid van appellant samenhangt met een niet optimaal slaappatroon, daarmee in voldoende mate rekening is gehouden doordat voor appellant een urenbeperking in aanmerking is genomen van 4 uur per dag en 20 uur per week.
7.3. De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van de schatting. De Raad tekent daarbij aan dat hij, anders dan appellant, geen aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de vaststelling van de bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders in diens rapport van 13 oktober 2006, dat de aan appellant voorgehouden functies licht industrieel productiewerk betreffen. Uitgaande van een juiste vaststelling van de medische beperkingen van appellant heeft de Raad in hetgeen overigens door appellant naar voren is gebracht geen reden gezien om te oordelen dat de belasting in de functies de functionele mogelijkheden van appellant te boven zou gaan.
7.4. Gelet op hetgeen in 7.2 en 7.3 is overwogen zal de Raad de aangevallen uitspraak bevestigen.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009.