ECLI:NL:CRVB:2009:BI4866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-7132 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensieArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging functietoewijzing per 18 september 2006 ondanks eerdere afronding opleiding

Appellant volgde de Officiersopleiding Kort Model (OKM) aan de Koninklijke Militaire Academie en behaalde het certificaat Vaktechnische Opleiding (VTO) op 1 september 2006. Hoewel appellant zich op 4 september 2006 meldde bij zijn onderdeel en meende dat de functietoewijzing per die datum had moeten ingaan, wees de commandant de functie van commandant MRAT peloton toe per 18 september 2006, de eerste maandag na de vaste einddatum van de opleiding op 14 september 2006.

Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum, maar dit werd door de commandant ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het hanteren van een vaste einddatum voor de opleiding, mede uit organisatorisch oogpunt, niet onredelijk is. De Raad benadrukte dat het slechts om enkele dagen verschil ging en dat de beleidsregel bepaalt dat bevordering plaatsvindt met ingang van de dag waarop de functie wordt toegewezen.

De Raad verwierp het argument van appellant dat de functietoewijzing eerder had moeten ingaan en wees op een vergissing in een vergelijkbare zaak die niet tot herhaling hoeft te leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de ingangsdatum van de functietoewijzing wordt ongegrond verklaard en de functie blijft toegewezen per 18 september 2006.

Uitspraak

07/7132 MAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 november 2007, 07/3922 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant)
Datum uitspraak: 14 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2009. Appellant is niet verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.J. Legein, werkzaam bij het ministerie van Defensie.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft in het kader van een omscholing tot officier de Officiersopleiding Kort Model (OKM) aan de Koninklijke Militaire Academie gevolgd. Deze opleiding bestaat uit een aantal modules van de Algemene Luitenants Opleiding (ALO) en wordt afgerond met een Vaktechnische Opleiding (VTO).
1.2. Aan appellant is een certificaat Vaktechnische Opleiding Officieren Infanterie deel 2 verstrekt, gedateerd 1 september 2006. In verscheidene gedingstukken betreffende het afronden van de opleiding wordt 14 september 2006 genoemd als datum waarop appellant geslaagd zou zijn voor de VTO. Bij brief van 30 augustus 2006 heeft de commandant appellant voorgedragen voor bevordering tot tweede luitenant per 14 september 2006.
1.3. Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft de commandant aan appellant per 18 september 2006 de functie van commandant MRAT peloton toegewezen. Bij koninklijk besluit van 2 november 2006 is appellant met ingang van 14 september 2006 bevorderd tot tweede luitenant.
1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de functietoewijzing en gesteld dat de functie hem per maandag 4 september 2006 had moeten worden toege-wezen, omdat hij de VTO reeds op 1 september 2006 had afgerond en hij zich aansluitend daarop op 4 september 2006 bij zijn onderdeel heeft gemeld. Bij het bestreden besluit van 30 maart 2007 heeft de commandant dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft aange-nomen dat de VTO en daarmee de OKM eerst op 14 september 2006 was afgerond en dat die formele einddatum mocht worden aangehouden als datum van voltooiing van de OKM door appellant.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.
4.1. Uit artikel 26, derde lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel aanstelling, functie-toewijzing en bevordering defensie (hierna: beleidsregel) volgt dat de militair die via de OKM wordt opgeleid tot officier wordt bevorderd tot tweede luitenant, nadat de ALO I tot en met IV en de VTO succesvol zijn afgerond, met ingang van de dag waarop die militair zijn functie is toegewezen waaraan de rang van luitenant is verbonden. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of pas op 14 september 2006 gesproken kon worden van een succesvol afgerond zijn van de VTO.
4.2. De commandant heeft verklaard dat er bij de OKM sprake is van vaste opleidings-blokken. Het opleidingsblok VTO liep voor alle deelnemers aan de VTO tot 14 september 2006 en werd afgesloten met de traditionele “bullenparade”. Deze datum geldt voor alle deelnemers aan het blok als einddatum; niet bepalend is derhalve het moment waarop een individuele deelnemer het laatste element van de opleiding heeft afgerond.
4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het mede uit organisatorisch oogpunt niet onbegrijpelijk is dat de commandant ten aanzien van de afronding van de opleiding een vaste einddatum hanteert. Met die handelwijze blijft de commandant naar het oordeel van de Raad binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, zeker nu het bij het feitelijk behalen van het diploma slechts om verschillen van een beperkt aantal dagen gaat. Functietoewijzing met ingang van 18 september 2006, zijnde de eerste maandag na het afronden van de opleiding, acht de Raad dan ook niet onredelijk.
4.4. Dat ten aanzien van M., die in een vergelijkbare positie verkeerde als appellant, de functietoewijzing wel per 4 september 2006 heeft plaatsgevonden, kan hier niet aan afdoen. Vast staat immers, dat het hier een vergissing betreft, waarover de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat deze er niet toe verplicht ten behoeve van appellant dezelfde fout te herhalen.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en
K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD