ECLI:NL:CRVB:2009:BI5200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en toekenning WAO-uitkering na bezwaar en beroep
Appellante werkte als inpakster en meldde zich ziek vanwege lage rugklachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en een vernietiging van het besluit door de rechtbank werd de arbeidsongeschiktheid aangepast naar 15 tot 25% met ingang van 21 december 2004.
De Raad beoordeelde de medische en arbeidskundige rapportages, waaronder die van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, en concludeerde dat de beperkingen van appellante voldoende waren gemotiveerd en dat zij geschikt was voor eenvoudige productiefuncties. Ook werd geoordeeld dat de taalbeheersing geen belemmering vormde.
Ten aanzien van het recht op ziekengeld na 1 maart 2006 oordeelde de Raad dat appellante niet medisch onderbouwd had dat zij ongeschikt was voor de geselecteerde functies. Het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 mei 2009.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak II bevestigd.