ECLI:NL:CRVB:2009:BI5977

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4709 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van de uitspraak inzake WGA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda, die op 4 juli 2007 het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv gegrond verklaarde. Het Uwv had bij besluit van 29 juni 2006 vastgesteld dat appellant recht had op een WGA-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank oordeelde dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende was toegelicht, maar bevestigde de medische basis van het besluit. Appellant stelde dat hij, gezien zijn medische klachten, niet in staat was om gangbare arbeid te verrichten. In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere stellingen en voegde daaraan toe dat een bezwaarverzekeringsarts had aangegeven dat het bestreden besluit onjuist was en dat appellant niet in staat zou zijn om meer dan 20% van het maatmaninkomen te verdienen.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en op 20 mei 2009 uitspraak gedaan. De Raad oordeelde dat er geen nieuwe gegevens waren gepresenteerd die het medisch oordeel van het Uwv in twijfel trokken. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voldoende was toegelicht. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze was aangevochten, en oordeelde dat er geen termen aanwezig waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wat betreft de proceskosten.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, met H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van griffier A. de Gier.

Uitspraak

07/4709 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 juli 2007, 06/6020 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A.J. Dappers, advocaat te Ravenstein, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
De voormalig werkgever van appellant heeft niet gereageerd op de hem bij brief van 9 januari 2009 geboden gelegenheid om als partij aan het geding deel te nemen. In een dergelijke situatie houdt de Raad het er voor dat de voormalig werkgever niet aan het onderhavige geding wenst deel te nemen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.
1.1. Appellant heeft op 16 maart 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In het kader van deze aanvraag is appellant gezien door C. Stoffels, verzekeringsarts, die in zijn rapport van 16 mei 2006 heeft vastgesteld dat er sprake is van beperkingen van de mogelijkheden om te functioneren als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft hij beperkingen opgenomen ten aanzien van belasting door staan en lopen en voorts bediening van pedalen en trillingsblootstelling van de voet beperkt geacht. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige G.Th. A. van Limpt vastgesteld dat appellant met de door hem geselecteerde functies een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 37%. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant recht is ontstaan op een WGA-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 juni 2006. De bezwaarverzekeringsarts A. Deitz heeft in zijn rapport van 22 augustus 2006 het oordeel van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 19 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
3.1. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is -evenals in bezwaar- gesteld dat hij, gelet op zijn medische klachten, niet in staat is om gangbare arbeid te verrichten.
3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand worden gelaten en beslissingen gegeven ter zake van de vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft de medische basis van het bestreden besluit onderschreven. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank op zichzelf deugdelijk geacht. De signaleringen bij de geduide functies zijn evenwel eerst in beroep van een motivering voorzien, zodat de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.
4. Namens appellant zijn in hoger beroep voornamelijk de in eerdere aanleg aangevoerde stellingen herhaald. Appellant heeft benadrukt dat zijn medische beperkingen hem het werken onmogelijk maken. Een bezwaarverzekeringsarts zou appellant hebben meegedeeld dat het bestreden besluit bij nader inzien onjuist is en dat appellant niet in staat zou zijn om met arbeid meer dan 20% van het maatmaninkomen per uur te verdienen. Voorts zou er, volgens de bezwaarverzekeringsarts, vooralsnog geen kans op herstel bestaan.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad kan hetgeen door de rechtbank is overwogen en beslist geheel onderschrijven. Namens appellant zijn geen gegevens in het geding gebracht die moeten doen twijfelen aan het medisch oordeel van het Uwv. Daarbij tekent de Raad aan dat in de FML in ruime mate beperkingen zijn opgenomen op het vlak van dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is - zoals de rechtbank met recht heeft vastgesteld - na de totstandkoming van dat besluit in voldoende mate toegelicht.
6. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) A. de Gier.
TM