ECLI:NL:CRVB:2009:BI6165

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-857 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling

Appellante ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo die het besluit van het UWV tot beëindiging van haar WAO-uitkering per 12 mei 2005 in stand liet. Hoewel appellante om medische redenen haar eigen werk niet meer kon verrichten, stelde het UWV dat zij met gangbare arbeid ongeveer 93% van haar loon kon verdienen.

De kern van het geschil betrof de waardering van twee medische expertises: die van psychiater Kleinsman, die appellante zelf onderzocht en een gemotiveerd advies gaf, en die van verzekeringsarts Groenewegen, die een andersluidend rapport opstelde zonder het rapport van Kleinsman te kennen. De Raad kwalificeerde beiden als partijdeskundigen, maar hechtte meer waarde aan de expertise van Kleinsman vanwege diens directe onderzoek en consistente motivering.

De Raad vond geen reden om de medische beoordeling van het UWV te betwijfelen en zag geen noodzaak om een aanvullende deskundige in te schakelen. Ook achtte de Raad de toelichting van het UWV over de geschiktheid van de functies voldoende. De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering op basis van een voldoende medische en arbeidskundige beoordeling.

Uitspraak

08/857 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 december 2007, 06/1122 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 22 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante stelde mr. J. Dijkman, advocaat te Almelo, hoger beroep in en bracht twee maal een nader stuk in het geding.
Het Uwv voerde verweer en reageerde schriftelijk op het eerste door appellante ingebrachte nadere stuk.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 10 april 2009, waar het Uwv niet verscheen en appellante zich liet bijstaan door mr. Dijkman.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 4 augustus 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft appellant zijn besluit van 11 maart 2005 tot de beëindiging van de WAO-uitkering van betrokkene per 12 mei 2005. Weliswaar kan zij om medische redenen haar eigen werk niet meer doen, maar met gangbare arbeid kan zij volgens het Uwv ongeveer 93% verdienen van haar loon als full time supermarktcassiere.
2. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 4 augustus 2006, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand.
3. Het hoger beroep richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 4 augustus 2006. Het belangrijkste discussiepunt tussen partijen is of de rechtbank terecht doorslaggevende betekenis toekent aan de op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts door de psychiater A.C.M. Kleinsman op 19 juli 2006 uitgebrachte expertise tegenover de andersluidende opvatting van de verzekeringsarts E.H. Groenewegen, die op verzoek van appellante een rapport uitbracht.
4. Anders dan het Uwv meent, is Kleinsman, net als Groenewegen, een partijdeskundige. Dat weerhoudt de Raad niet de aangevallen uitspraak en de overwegingen te onderschrijven. Anders dan Groenewegen, onderzocht Kleinsman appellante zelf en Kleinsman motiveert inzichtelijk en consistent zijn, binnen het bereik van zijn specialistische deskundigheid getrokken conclusies. Groenewegen beschikte ten tijde van zijn rapport niet over het rapport van Kleinsman. Kleinsman steunt de opvatting van de (bezwaar-)verzekeringsarts dat een duurbeperking niet langer nodig is, terwijl Groenewegen zonder steun in de informatie van de appellante behandelende artsen zijn andersluidende opvatting onderbouwt met het aan het specialisme van Kleinsman ontleende argument dat appellante in een fragiel psychisch evenwicht verkeert.
5. De Raad heeft onvoldoende reden tot twijfel aan de juistheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling. Hij ziet daarom geen reden om een deskundige in te schakelen.
6. De geschiktheid van de functies is door het Uwv afdoende toegelicht.
7. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.L. de Gier.
JL