ECLI:NL:CRVB:2009:BI6705

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4432 WAO + 07-4433 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van korting en verlaging WAO-uitkering ondanks betwisting belastbaarheid en maatmanloon

Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV die een korting en verlaging van zijn WAO-uitkering tot gevolg hadden. Hij stelde dat zijn belastbaarheid was overschat en dat het maatmanloon onjuist was vastgesteld. De Raad bevestigde dat appellant sinds 1998 arbeidsongeschikt is verklaard met een percentage van 35-45% en dat zijn werkzaamheden als asfalteerder (wegmarkeerder) als maatgevende arbeid gelden.

De medische beoordeling en het arbeidsdeskundig onderzoek wezen uit dat appellant ongeschikt is voor zijn oorspronkelijke werk, maar nog wel mogelijkheden heeft voor andere functies. Het UWV paste artikel 44 van Pro de WAO toe om de uitkering te verminderen vanaf 15 september 2004 vanwege inkomsten uit gedeeltelijke arbeid. De Raad oordeelde dat de rechtbank de medische beoordeling juist had gevolgd en dat de berekening van het maatmanloon adequaat was onderbouwd.

De Raad verwierp de beroepsgronden van appellant, waaronder de stelling dat de jaarlijkse emolumenten verkeerd waren toegerekend. De uitspraak van de Raad van 21 januari 2000 werd als rechtens juist bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een kostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraken van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de besluiten van het UWV tot korting en verlaging van de WAO-uitkering van appellant.

Uitspraak

07/4432 WAO + 07/4433 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 19 juni 2007, 05/2703 en 05/2704, (hierna: de aangevallen uitspraken)
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant liet hoger beroep instellen. Het Uwv voerde verweer.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 17 april 2009. Appellant verscheen niet. Namens het Uwv verscheen F.P.L. Smeets.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep richt zich tegen twee ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 29 november 2005 bekend gemaakte besluiten. Hierbij handhaaft het Uwv zijn besluiten van 20 april 2005 tot de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO vanaf 15 september 2004 (het kortingsbesluit) en de verlaging van appellants WAO-uitkering met ingang van 20 juni 2005 (het verlagingsbesluit).
2. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit tot de handhaving van het verlagingsbesluit gegrond en vernietigde dat besluit van 29 november 2005, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het andere beroep verklaarde de rechtbank ongegrond.
3.1. De Raad gaat uit van de volgende, niet bestreden, feiten.
3.2. Op 31 oktober 1998 viel appellant, wegens beenklachten, uit als asfalteerder (wegmarkeerder) en hem is een WAO-uitkering toegekend, per 21 maart 1994 (weer) naar een arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
3.3. Een besluit van 15 januari 1998 bepaalde appellants arbeidsongeschiktheid per
20 juni 1995 ongewijzigd op 35-45%. Daartegen kwam appellant op en in het hoger beroep bij de Raad herberekende de arbeidsdeskundige het maatmanloon in zijn rapport van 2 april 1997. De Raad bevestigde in zijn uitspraak van 29 mei 1998 (95/4895) op grond van die nadere gegevens over het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit terecht op 35-45% vastgesteld.
3.4. Vanaf 29 mei 2002 werkt appellant als montagemedewerker bij Vexia in WSW-verband. Op 11 juli 2003 meldde hij zich ziek met toegenomen been- en rugklachten. Op 28 juni 2004 werd appellant in het ziekenhuis opgenomen voor een rugoperatie. Het Uwv verhoogde zijn WAO-uitkering per 9 juli 2004 en deelde hem in in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Vanaf 15 september 2004 hervatte appellant gedeeltelijk zijn werk als montagemedewerker.
3.5. Op 29 maart 2005 vond verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats en deze arts scoorde de medische arbeidsbeperkingen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige acht appellant ongeschikt voor het maatgevende werk als asfalteerder, maar ziet nog wel mogelijkheden voor gangbare arbeid in een achttal door hem geselecteerde functies. Het theoretische loonverlies bedraagt daarmee ongeveer 37%. De arbeidsdeskundige adviseert de WAO-uitkering van appellant voor de toekomst te verlagen en vanaf 15 september 2004 de betaling van die uitkering onder toepassing van artikel 44 van Pro de WAO wegens zijn arbeidsinkomsten te verminderen. Dit advies nam het Uwv over in zijn besluiten van 20 april 2005.
4.1. In hoger beroep voert appellant opnieuw aan dat het Uwv zijn belastbaarheid heeft overschat, omdat de FML geen duurbeperking kent. Voor deze beroepsgrond zoekt appellant steun bij het gegeven dat hij op medische gronden zijn werk als montagemedewerker maximaal 20 uur per week kan doen.
4.2. Verder herhaalt appellant in hoger beroep zijn stelling dat het Uwv uitgaat van een verkeerd maatmanloon. Tenslotte voert hij aan dat het Uwv bij de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO moet uitgaan van de feitelijke salarisbetalingen in plaats van de jaarlijks betaalde emolumenten als vakantiebijslag uit te smeren over het (vakantie)jaar.
5.1. Met de rechtbank onderschrijft de Raad de medische beoordeling door de
(bezwaar-)verzekeringsarts. Het is namelijk niet doorslaggevend als appellant, zoals hij stelt, zijn werk als montagemedewerker om medische redenen niet langer dan 20 uur per week volhoudt. De rechtbank wijst in dat verband terecht er op dat het werkplekonderzoek van 30 januari 2005 twijfel oproept aan de geschiktheid van dat werk.
5.2. Op zich betoogt appellant terecht dat het maatmanloon niet een rechtens vaststaand gegeven betreft. Bij de verwerping van deze beroepsgrond ging de rechtbank, anders dan appellant meent, hier ook niet van uit. Partijen zijn het er over eens dat de werkzaamheden als asfalteerder (wegmarkeerder) de maatgevende arbeid vormt. Appellant laat na om concreet aan te geven waarom het maatmanloon onjuist is berekend. De berekening is toegelicht in het arbeidskundig van 2 april 1997 en net als in 1998 ontbreekt voor de Raad een reden om die toelichting en berekening niet te volgen.
5.3. De rechtbank verwerpt met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
21 januari 2000, LJN ZB8628 met juistheid de beroepsgrond over de toerekening van de jaarlijks betaalde emolumenten.
6. Het hoger beroep faalt.
7. Voor een kostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) J.M. Tason Avila.
TM