ECLI:NL:CRVB:2009:BI7108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken objectief vaststelbare arbeidsongeschiktheid bij fibromyalgie
Appellante, sinds 1990 arbeidsongeschikt wegens malaise, kreeg een WAO-uitkering toegekend die in 2002 werd vastgesteld op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling door verzekeringsartsen en een reumatologisch onderzoek werd geconcludeerd dat geen objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek aanwezig was en dat appellante geschikt was voor haar vroegere werk.
De rechtbank volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige reumatoloog die stelde dat er sprake was van chronische subjectieve klachten zonder objectief vaststelbare oorzaak. De diagnose fibromyalgie werd erkend, maar zonder consequenties voor arbeidsmogelijkheden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad benadrukte dat arbeidsongeschiktheid alleen kan worden aangenomen indien er een objectief medisch vast te stellen ziektebeeld is dat het verrichten van arbeid verhindert. De Raad zag geen reden om af te wijken van het deskundigenoordeel en wees het verzoek om een tweede deskundige af.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag is gebaseerd en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van objectief medisch vast te stellen arbeidsongeschiktheid.