ECLI:NL:CRVB:2009:BI7166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- M. Pijper
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit AOW en vergoeding wegens schending redelijke termijn
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) genomen besluit waarbij zijn AOW-pensioen met 90% werd gekort vanwege vermeend niet-verzekerde jaren. De rechtbank verklaarde het beroep aanvankelijk onbevoegd, waarna de Svb een besluit op bezwaar nam dat het bezwaar ongegrond verklaarde. Appellant stelde dat hij over een langere periode verzekerd was geweest, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
In hoger beroep stelde de Svb dat de verzekerde periode vanaf 8 april 1976 tot 1 april 1977 onjuist was vastgesteld en verhoogde het pensioen met 2%. Appellant vorderde daarnaast vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Raad oordeelde dat het beroep tijdig was ingediend en dat het bestreden besluit vernietigd moest worden vanwege onjuiste vaststelling van de verzekerde periode. De door de Svb aangebrachte correctie werd als juist erkend. De overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar werd toegerekend aan de Svb, die daarom een vergoeding van € 3.500 moest betalen. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij tevens proceskosten en griffierecht aan appellant worden vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en appellant krijgt een vergoeding van € 3.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.