Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4221 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14, derde lid, Algemene KinderbijslagwetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen kinderbijslag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant verzocht om kinderbijslag met terugwerkende kracht over perioden vóór 1 april 2004 en het tweede kwartaal van 2004 voor zijn in Marokko wonende zoon. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees deze verzoeken af omdat de aanvraag te laat was ingediend en appellant onvoldoende had aangetoond dat hij zijn zoon in belangrijke mate had onderhouden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat psychische klachten hem verhinderden eerder een aanvraag in te dienen, wat een bijzonder geval zou zijn volgens artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Raad oordeelde echter dat appellant deze stelling onvoldoende had onderbouwd met medische gegevens en bovendien al eerder contact had gehad met de Svb.

Verder kon appellant niet aantonen dat hij de onderhoudsverplichting van minimaal € 386 per kwartaal had nageleefd, behalve in het eerste kwartaal van 2005. De Raad bevestigde daarom het besluit van de Svb, behalve voor het tweede kwartaal van 2005, waarvoor kinderbijslag alsnog werd toegekend.

De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt het beleid dat alleen in bijzondere gevallen kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht wordt toegekend.

Uitkomst: Appellant krijgt geen kinderbijslag met terugwerkende kracht langer dan één jaar vanwege onvoldoende bewijs van bijzondere omstandigheden en onderhoud.

Uitspraak

07/4221 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 13 juni 2007, 06/1136 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 28 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2009. Namens appellant is verschenen mr. M.S. Yap, kantoorgenoot van mr. Van Overloop, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluit van 16 februari 2006 heeft de Svb appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over de periode gelegen vóór 1 april 2004, omdat zijn aanvraag om kinderbijslag pas op 26 april 2005 is ontvangen. Bij een tweede besluit van eveneens 16 februari 2006 heeft de Svb geweigerd aan appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2004 kinderbijslag toe te kennen ten behoeve van zijn in Marokko wonende zoon Farid, geboren [in] 1997, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij zijn zoon in dat kwartaal in belangrijke mate - dat wil zeggen voor een bedrag van minimaal € 386,-- - heeft onderhouden.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 18 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, in zoverre dat aan appellant over het eerste kwartaal van 2005 alsnog kinderbijslag is toegekend, en heeft hij de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij met betrekking tot de weigering om over de periode gelegen vóór 1 april 2004 kinderbijslag toe te kennen, overwogen dat de Svb zich - gelet op het ter zake ontwikkelde en in de jurisprudentie van de Raad aanvaarde beleid - in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW. Ten aanzien van de weigering van de Svb om appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2004 kinderbijslag toe te kennen, omdat Farid niet in belangrijke mate door hem is onderhouden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat uit de door appellant overgelegde stortingsbewijzen en ontvangstbevestigingen niet is gebleken dat appellant heeft voldaan aan de minimaal verschuldigde bijdrage van € 386,-- per kwartaal, met uitzondering van het eerste kwartaal van 2005.
3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan er aanleiding is de kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht dan één jaar toe te kennen. Appellant is van mening dat het feit dat hij als gevolg van psychische problemen niet eerder dan op 26 april 2005 een aanvraag om kinderbijslag heeft kunnen indienen, als een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, van de AKW dient te worden aangemerkt. Hij stelt al eerder aanvragen om kinderbijslag bij de Svb te hebben ingediend en steeds zijn kind te hebben onderhouden. Naar de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd, is ook de weigering van kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2004 nog in geschil.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. De Raad kan zich evenals de rechtbank verenigen met de wijze, waarop door de Svb toepassing is gegeven aan artikel 14, derde lid, tweede volzin, van de AKW. Van een bijzonder geval in de zin van deze bepaling is sprake indien de verzekerde door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen. Daarvan is onder meer sprake als een aanvraag te laat is ingediend omdat de aanvrager als gevolg van geestelijke gestoordheid of een zware lichamelijke handicap niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen, terwijl voorts redelijkerwijs niet van hem gevergd mocht worden dat hij zich ter zake liet vertegenwoordigen. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij als gevolg van psychische klachten niet eerder een aanvraag heeft kunnen indienen, maar hij heeft die stelling niet onderbouwd met medische gegevens waaruit de aard en ernst van zijn psychische problematiek kan blijken. Daarnaast is uit de gedingstukken op te maken dat hij zich reeds eerder tot de Svb heeft gewend met een verzoek om kinderbijslag, zij het niet met het door hem gewenste resultaat. De Raad gaat er dan ook van uit dat appellant op de hoogte was van de geldende procedure en regelgeving, terwijl hij zich bovendien heeft laten bijstaan door een advocaat en een maatschappelijk werkster.
4.3. Met betrekking tot het tweede deel van het bestreden besluit, betreffende de weigering van kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2004 op de grond dat appellant zijn zoon Farid, behoudens in het eerste kwartaal van 2005, niet in belangrijke mate heeft onderhouden, komt de Raad tot het oordeel dat het besluit op dat punt voor het grootste deel kan standhouden. Appellant heeft immers niet op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij aan de voor hem geldende onderhoudseis van € 386,-- per kwartaal heeft voldaan. Daarbij overweegt de Raad dat van sommige stortingen niet kan worden vastgesteld, of ze van appellant afkomstig zijn, nu deze betalingen zijn verricht door de maatschappelijk werkster M.A. van Steenbergen.
Ten aanzien van het tweede kwartaal van 2005 stelt de Raad echter vast dat de gemachtigde van de Svb ter zitting heeft verklaard dat appellant alsnog geacht moet worden in dat kwartaal aan de onderhoudseis te hebben voldaan en hem derhalve over die periode kinderbijslag zal worden toegekend.
4.4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven, voor zover betrekking hebbend op het tweede kwartaal van 2005.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, tezamen in totaal € 1.288,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de aanspraak op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2005 en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht van € 144,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2009.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) W. Altenaar.
NK