ECLI:NL:CRVB:2009:BI7443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen kinderbijslag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant verzocht om kinderbijslag met terugwerkende kracht over perioden vóór 1 april 2004 en het tweede kwartaal van 2004 voor zijn in Marokko wonende zoon. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees deze verzoeken af omdat de aanvraag te laat was ingediend en appellant onvoldoende had aangetoond dat hij zijn zoon in belangrijke mate had onderhouden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat psychische klachten hem verhinderden eerder een aanvraag in te dienen, wat een bijzonder geval zou zijn volgens artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Raad oordeelde echter dat appellant deze stelling onvoldoende had onderbouwd met medische gegevens en bovendien al eerder contact had gehad met de Svb.
Verder kon appellant niet aantonen dat hij de onderhoudsverplichting van minimaal € 386 per kwartaal had nageleefd, behalve in het eerste kwartaal van 2005. De Raad bevestigde daarom het besluit van de Svb, behalve voor het tweede kwartaal van 2005, waarvoor kinderbijslag alsnog werd toegekend.
De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt het beleid dat alleen in bijzondere gevallen kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht wordt toegekend.
Uitkomst: Appellant krijgt geen kinderbijslag met terugwerkende kracht langer dan één jaar vanwege onvoldoende bewijs van bijzondere omstandigheden en onderhoud.