ECLI:NL:CRVB:2009:BI7446

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1825 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze aanvraag afgewezen omdat appellant per 6 december 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek van het Uwv niet onvolledig of onzorgvuldig was en appellant geen aanvullende medische gegevens had aangeleverd die het oordeel konden ondermijnen. De rechtbank oordeelde tevens dat de belastende aspecten van de resterende functies medisch gezien geschikt waren voor appellant.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de medische grondslag onjuist is, met name vanwege psychische klachten die hem zouden beletten gangbare arbeid te verrichten. De Raad volgt echter de rechtbank in haar oordeel dat appellant onvoldoende objectieve medische gegevens heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn standpunt. De Raad acht de resterende functies medisch geschikt en bevestigt daarom de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

08/1825 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudig kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2008, 07/2837 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
1.2. Op de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 31 januari 2007 afwijzend beslist, omdat appellant per 6 december 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het tegen dat besluit door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 27 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet geoordeeld kan worden dat het medisch onderzoek van het Uwv onvolledig of onzorgvuldig is. Op grond van hetgeen appellant heeft aangevoerd, doch zonder onderbouwing van nadere gegevens is gebleven, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch oordeel voor onjuist moet worden gehouden. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn in beroep ingenomen standpunt herhaald dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet juist is. Evenals bij de rechtbank heeft hij daartoe aangevoerd dat hij vanwege psychische klachten niet in staat is gangbare arbeid te verrichten en dat in elk geval vanwege deze klachten een urenbeperking had moeten worden aangenomen.
4. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt die tot de zijne. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Ook in hoger beroep heeft appellant zijn standpunt, ondanks zijn mededeling dat nadere medische stukken zouden volgen, niet onderbouwd met enig objectief medisch gegeven. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.R.A. van Raaij.
MH