ECLI:NL:CRVB:2009:BI7939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid tot arbeid na rugklachten
Appellant, werkzaam als uitzendkracht in de kassenbouw, viel op 10 oktober 2005 uit wegens rugklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts, ondersteund door medische gegevens van een neuroloog en huisarts, werd vastgesteld dat appellant per 12 april 2006 geschikt was om zijn arbeid te hervatten. De Ziektewetuitkering werd daarop beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn incontinentieproblemen en rugklachten. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde echter de eerdere conclusie dat appellant zijn arbeid kon verrichten, waarbij ook de aard en zwaarte van zijn werkzaamheden werden betrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het medisch onderzoek en de beoordeling van de werkzaamheden. Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering werd dan ook terecht afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 12 april 2006 wordt ongegrond verklaard.