AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek herziening uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante diende in februari 1981 een aanvraag in voor een periodieke uitkering als weduwe van betrokkene, die in 1972 overleed en tijdens de Japanse bezetting krijgsgevangenschap zou hebben doorgemaakt. Deze aanvraag werd in 1987 afgewezen omdat niet was gebleken dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. In februari 2007 verzocht appellante opnieuw om een uitkering, stellende dat betrokkene mishandeling had ondergaan als krijgsgevangene.
Verweerster wees dit verzoek af bij besluit van 27 augustus 2007, gehandhaafd na bezwaar. Appellante stelde in beroep dat verweerster ten onrechte uitging van een verkeerd geboortejaar van betrokkene. De Raad stelde vast dat relevante KNIL-gegevens met het juiste geboortejaar waren betrokken, maar dat betrokkene zelf had verklaard nooit krijgsgevangene te zijn geweest.
De Raad oordeelde dat het verzoek een herzieningsverzoek betrof en dat verweerster discretionair bevoegd is om een besluit te herzien. Er waren echter geen nieuwe feiten of gegevens die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de uitkering blijft gehandhaafd.
Uitspraak
08/2633 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (Indonesië) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 28 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 december 2007, kenmerk BZ 47509, JZ/60/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2009. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft in februari 1981 bij de voormalige Uitkeringsraad, rechtsvoorganger van verweerster, een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet als weduwe van [betrokkene] (hierna: betrokkene), die op 7 februari 1972 is overleden. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië krijgsgevangenschap heeft doorgemaakt. Bij besluit van 21 september 1987 is de aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
1.2. In februari 2007 heeft appellante zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek om als weduwe van betrokkene in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering op grond van de Wet. Appellante heeft aangevoerd dat betrokkene krijgsgevangene is geweest en mishandeling heeft ondergaan.
1.3. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 27 augustus 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid, van de Wet.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. De onder 1.2 genoemde aanvraag van februari 2007 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, ten aanzien van de vraag of betrokkene vervolging heeft ondergaan het karakter van een verzoek om herziening.
2.2. Op grond van het bepaalde in artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.
2.3. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd, die verweerster bij de besluitvorming over de eerste aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om het eerder genomen besluit te herzien.
2.4. Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster niet gebleken.
Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat verweerster ook na hernieuwde raadpleging van de haar ter beschikking staande gegevens geen bevestiging heeft verkregen dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
2.5. Voor zover appellante in beroep naar voren heeft gebracht dat verweerster bij de beoordeling van de aanvraag ten onrechte is uitgegaan van een verkeerd geboortejaar van betrokkene namelijk 1925 in plaats van 1922, merkt de Raad het volgende op. Onder de gedingstukken bevinden zich tevens KNIL-gegevens ten name van [naam van betrokkene], geboren in 1922. Deze gegevens zijn door verweerster bij de beoordeling van onderhavige aanvraag betrokken, maar hebben haar niet tot een ander oordeel kunnen leiden, te minder nu deze [naam van betrokkene] heeft aangegeven nimmer in krijgsgevangen-schap te hebben verbleven.
3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toets van de Raad doorstaat zodat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2009.