ECLI:NL:CRVB:2009:BI8241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6784 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in te trekken per 22 november 2006 wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, uitgevoerd door artsen van het UWV, werd vastgesteld dat appellant niet duurzaam beperkt was in zijn arbeidsvermogen en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige psychische aandoeningen of andere beperkingen die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische stukken van appellant, waaronder een intakeverslag van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.

De Raad verwierp de stelling van appellant dat zijn beperkingen waren onderschat en dat een psychiatrisch onderzoek noodzakelijk was. Ook de visie van de huisarts, die sprak over psychische problematiek en een mogelijke lichte verstandelijke handicap, werd niet gevolgd omdat deze niet werd ondersteund door het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

Uiteindelijk bevestigde de Centrale Raad van Beroep het besluit van de rechtbank Utrecht en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% wordt bevestigd.

Uitspraak

07/6784 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 oktober 2007, 07/553 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2009. Voor appellant is verschenen zijn echtgenote, bijgestaan door mr. Groeneweg. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. Florijn.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 25 september 2006 is de aan appellant toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 22 november 2006 ingetrokken vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 januari 2007 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 30 januari 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts A.E. Timmer en de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven terwijl bij zijn huisarts informatie is opgevraagd. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat appellant een fors onvermogen laat zien ten aanzien van werk en zeer inactief is, terwijl dit niet kan worden verklaard door een ziekte of gebrek. Er zijn geen tekenen van een ernstige dan wel matige depressie gevonden. Bewegingsbeperkingen of houdingsafwijkingen zijn er ook niet en er is geen sprake van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden. Appellant heeft zijn stelling aangaande zijn medische beperkingen onderbouwd met medische gegevens, maar deze dateren van na de datum in geding. Bovendien geven ze volgens de bezwaarverzekeringsarts
O.J. van Kempen geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen. De stelling van appellant dat hij vanwege een sterke beperking in zijn persoonlijke en sociale functioneren geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, is niet onderbouwd. Voor de gedachte van de huisarts dat appellant licht verstandelijk gehandicapt zou kunnen zijn, zijn in de rapporten van de verzekeringsartsen geen aanwijzingen te vinden. Het Uwv had daarnaar dan ook geen nader onderzoek hoeven te doen. Ook de stelling van appellant dat sprake is van tekenen van psychische problematiek die zich lenen voor psychiatrisch onderzoek wordt niet gevolgd. De verzekeringsartsen hebben ook daarvoor bij appellant geen aanwijzingen gevonden. Kennisneming van het intakeverslag van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft aan de verzekeringsgeneeskundige conclusies niets veranderd. De bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband heeft na overleg met de bezwaarverzekeringsarts uitvoerig en toereikend gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.
4. Appellant heeft in hoger beroep – evenals in bezwaar en beroep – aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Volgens appellant is te weinig gewicht toegekend aan de visie van zijn huisarts en had een psychiatrische expertise verricht moeten worden.
5. De Raad overweegt als volgt.
6.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en aan de juistheid en de volledigheid van de medische beperkingen die uit dat onderzoek naar voren zijn gekomen.
6.2. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad dan ook geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Dat betekent dat ook de Raad geen aanleiding ziet om aan te nemen dat appellant op de datum in geding ten gevolge van een ziekte of gebrek van met name psychische aard medisch meer beperkt was dan is aangenomen. Aanleiding om appellant een psychiatrisch onderzoek te laten ondergaan is er evenmin. Hierbij heeft de Raad betrokken dat de stelling van appellant dat hij meer medische beperkingen heeft dan is aangenomen niet voldoende steun vindt in de door hem overgelegde medische stukken. Dat de huisarts bij appellant uitgaat van psychische problematiek en de mogelijkheid van een lichte verstandelijke handicap oppert, leidt niet tot een ander oordeel nu uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek geen aanwijzing voor een ziekte of gebrek van de psyche naar voren is gekomen. Ook het intakeverslag van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige G. van Zijl van 25 juni 2007 biedt appellant geen uitkomst, reeds omdat dat verslag dateert van na de datum in geding en niet ziet op de situatie ten tijde in geding.
7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.A. Wit.
KR