ECLI:NL:CRVB:2009:BI8241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in te trekken per 22 november 2006 wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, uitgevoerd door artsen van het UWV, werd vastgesteld dat appellant niet duurzaam beperkt was in zijn arbeidsvermogen en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige psychische aandoeningen of andere beperkingen die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische stukken van appellant, waaronder een intakeverslag van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Raad verwierp de stelling van appellant dat zijn beperkingen waren onderschat en dat een psychiatrisch onderzoek noodzakelijk was. Ook de visie van de huisarts, die sprak over psychische problematiek en een mogelijke lichte verstandelijke handicap, werd niet gevolgd omdat deze niet werd ondersteund door het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
Uiteindelijk bevestigde de Centrale Raad van Beroep het besluit van de rechtbank Utrecht en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% wordt bevestigd.