ECLI:NL:CRVB:2009:BI8578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatstaf arbeid bij beëindiging ziekengeld in het kader van de Ziektewet
Betrokkene viel in 2000 wegens rug- en knieklachten uit voor haar werk als koerierster en kreeg vanaf 2001 geen WAO-uitkering meer omdat zij geschikt werd geacht voor gangbare functies. Na een periode van werkloosheid ging zij in 2002 administratief werk verrichten bij een werkgever, maar viel wegens psychische klachten uit. Een verzekeringsarts verklaarde haar in november 2002 hersteld voor de eerder geselecteerde functies in het kader van de WAO, niet voor het werk bij de werkgever.
In 2005 meldde betrokkene zich opnieuw ziek wegens rugklachten. Het UWV weigerde verdere ziekengelduitkering vanaf juli 2006, wat bij bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank vernietigde dit besluit echter omdat het UWV volgens haar ten onrechte de functies geselecteerd in 2001 als maatstaf had genomen en niet het werk bij de werkgever, dat volgens de rechtbank als arbeid moest worden aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat het werk bij de werkgever vanaf het begin niet passend was en dat het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige dat dit een mislukte re-integratie betrof voldoende onderbouwd is. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarmee het besluit tot beëindiging van het ziekengeld standhoudt.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van ziekengeld wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.